Qal Imperfectum Sterke Werkwoorden

Samenvatting BBH H15

Literatuur
Pratico & Van Pelt (2019), H15
Vrolijk (2020), 18.5.2

Het imperfectum wordt gebruikt om een niet afgeronde aktie te beschrijven. Vertaling in eerste instantie met toekomende of tegenwoordige tijd.

Vervoeging Qal Imperfectum Regelmatige Werkwoorden

De vervoeging van het imperfectum wordt vooral gekenmerkt door de voorvoegsels en wordt daarom ook wel de prefix-conjugatie genoemd. In Figuur 1 staan deze voorvoegsels, die in elk van de stamformaties terugkomen. Ook de achtervoegsels bij 2 vrl ev, 3 mnl en vrl mv, 2 mnl en vrl mv vormen in alle afgeleide stamformaties terug.

Figuur 1
Qal Imperfectum Sterk Werkwoord


Noot Overgenomen van https://hebrew.billmounce.com/BasicsBiblicalHebrew-15.pdf

Statieve werkwoorden

Statieve werkwoorden hebben in het imperfectum als tweede stamletter een patach, ongeacht wat de tweede stamletter in het perfectum is.

Figuur 3
Qal Perfectum Statieve Werkwoorden

Noot 1. Overgenomen van https://hebrew.billmounce.com/BasicsBiblicalHebrew-15.pdf

Voorbeelden Gebruik Imperfectum

Genesis 1

‘Gewone’ Qal Imperfectum

In Genesis 1 komt twee keer een ‘gewone’ Qal_Imperfectum vorm voor.

BOEK

HFD

VS

WLC

HSV

NB

GEN

1

20

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יִשְׁרְצוּ הַמַּיִם שֶׁרֶץ נֶפֶשׁ חַיָּה וְעוֹף יְעוֹפֵף עַל־הָאָרֶץ עַל־פְּנֵי רְקִיעַ הַשָּׁמָיִם׃

En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!

Dan zegt God: laten de wateren wemelen van het gewriemel van bezield leven,- en laat er gevogelte vliegen over het land, over het aanschijn van het gewelf, de hemel!

GEN

1

29

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים הִנֵּה נָתַתִּי לָכֶם אֶת־כָּל־עֵשֶׂב זֹרֵעַ זֶרַע אֲשֶׁר עַל־פְּנֵי כָל־הָאָרֶץ וְאֶת־כָּל־הָעֵץ אֲשֶׁר־בּוֹ פְרִי־עֵץ זֹרֵעַ זָרַע לָכֶם יִהְיֶה לְאָכְלָה׃

En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen.

God zegt: zie, geven zal ik* Of: gegeven heb ik. u al het zaadzaaiend gewas op het aanschijn van heel het land en alle geboomte    waaraan een boomvrucht zaad zaait,- voor jullie zal het er zijn als eten!-

  • vs20; יִשְׁרְצוּ qal-imperfectum 3mp zij zullen wemelen
  • vs 29; יִהְיֶה qal-imperfectum 3ms hij/het zal zijn

Jussivus

Vier keer in Genesis 1 betreft de imperfectum vorm een verkorte imperfectumvorm, een zogenaamds jussivus. Deze vorm drukt in eerste instantie een (dringende) wens uit: ‘laat het zo zijn ..’, ‘moge …’.
Drie keer (vs3, vs6, vs14) betreft dit de vorm יְהִי een jussivus 3 mnl ev van הָיָה , een vorm die vaak voorkomt in combinatie met het voegwoord וַיְהִי .
Een ‘zuivere’ jussivus wordt vertaald met een aanvoegende wijs of met uitdrukkingen als ‘laat …’. Vertaling van een jussivus met voegwoord hangt af van de context.

Het probleem met de jussivus is, dat door ontwikkeling van de taal, deze in de verreweg de meeste gevallen niet te onderscheiden is van het imperfectum.

BOEK

HFD

VS

WLC

HSV

NB

GEN

1

3

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי־אוֹר׃

En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.

Dan zegt God: geschiede er licht!- en er geschiedt licht.

Consecutief Imperfectum

De meest voorkomende imperfectumvorm in Genesis 1 betreft een imperfectum consecutivum, een imperfectum verbonden met het voegwoord we met als klinker een patach wa.
Deze constructie wordt in een verhaallijn veel gebruikt om opvolgende gebeurtenissen te beschrijven; een dergelijk imperfectum krijgt in de vertaling de tijd van het werkwoord dat de opeenvolgende handelingen beschrijft.

BOEK

HFD

VS

WLC

HSV

NB

GEN

1

1

בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ׃

In het begin schiep God de hemel en de aarde.

Bij begin is God gaan scheppen,- de hemelen en het aardland.

GEN

1

2

וְהָאָרֶץ הָיְתָה תֹהוּ וָבֹהוּ וְחֹשֶׁךְ עַל־פְּנֵי תְהוֹם וְרוּחַ אֱלֹהִים מְרַחֶפֶת עַל־פְּנֵי הַמָּיִם׃

De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.

Het aardland is in z’n geschieden geworden    woestheid en warboel, en duisternis    op het aanschijn van de oervloed,- en geestesadem van God wervelend    over het aanschijn van de wateren.

GEN

1

3

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי־אוֹר׃

En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.

Dan zegt God: geschiede er licht!- en er geschiedt licht.

GEN

1

4

וַיַּרְא אֱלֹהִים אֶת־הָאוֹר כִּי־טוֹב וַיַּבְדֵּל אֱלֹהִים בֵּין הָאוֹר וּבֵין הַחֹשֶׁךְ׃

En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.

God ziet het licht aan: ja, het is goed! Zo brengt God scheiding aan tussen het licht en de duisternis.

vs3; וַיֹּאמֶר en Hij zei; verleden tijd omdat voorgaande begint met ‘God schiep’
vs3; וַיְהִי־אוֹר ; en er was licht
vs4; וַיַּרְא ; en Hij zag

Vervoeging Qal Imperfectum Tien Sterke Werkwoorden

In Tabel 4 staan de imperfectum vormen van de tien regelmatige werkwoorden die het meest voorkomen in het imperfectum.
Een opmerking hierbij: op de lijst met werkwoorden die het meest voorkomen in het imperfectum, staat het eerste regelmatige werkwoord op plaats 34.
De vertaling van de werkwoorden uit Tabel 4 staat in Tabel 5.

Tabel 4
Vervoeging Qal Imperfectum Regelmatige Werkwoorden

PERSOON

שָׁמַר

מָלַךְ

כָּרַת

פָּקַד

רָדַף

שָׁפַט

זָכַר

לָכַד

שָׁכַב

קָרַב

3ms

יִשְׁמֹר

יִמְלֹךְ

יִכְרֹת

יִפְקֹד

יִרְדֹּף

יִשְׁפֹּט

יִזְכֹּר

יִלְכּוֹד

יִשְׁכַּב

יִקְרַב

3fs

תִּשְׁמֹר

תִּמְלֹךְ

תִּרְדֹּף

תִּזְכּוֹר

תִּשְׁכַּב

תִּקְרַב

2ms

תִּשְׁמֹר

תִּמְלֹךְ

תִּכְרֹת

תִּפְקֹד

תִּרְדֹּף

תִשְׁפֹּט

תִּזְכֹּר

תִּשְׁכַּב

תִּקְרַב

2fs

תִזְכְּרִי

1cs

אֶשְׁמֹר

אֶמְלֹךְ

אֶכְרֹת

אֶפְקֹד

אֶרְדֹּף

אֶשְׁפֹּט

אֶזְכֹּר

אֶלְכֹּד

אֶשְׁכָּב

3mp

יִשְׁמְרוּ

יִמְלֹכוּ

יִכְרֹתוּ

יִפְקֹדוּ

יִרְדֹּפוּ

יִשְׁפְּטוּ

יִזְכְּרוּ

יִלְכְּדוּ

יִשְׁכָּבוּ

יִקְרְבוּ

3fp

2mp

תִּשְׁמְרוּ

תִכְרְתוּ

תִּפְקְדוּ

תִּשְׁפְּטוּ

תִּזְכְּרוּ

תִקְרְבוּ

2fp

1cp

נִשְׁמֹר

נִכְרֹת

נִּרְדָּף

נִקְרַב

Noot. Merk op dat van deze tien werkwoorden qal imperfectum verbuigingen in de 2e en 3e persoon vrl mv niet voorkomen.

Tabel 5
Vertaling werkwoorden Tabel 4

STR

HEBR

VERTALING

AANTAL

H8104

שָׁמַר

bewaken/bewaren

107

H4427

מָלַךְ

koning zijn/regeren

106

H3772

כָּרַת

af-/snijden; met berith=een verbond sluiten

62

H6485

פָּקַד

bezoeken

60

H7291

רָדַף

achtervolgen

60

H8199

שָׁפַט

oordelen/richten

58

H2142

זָכַר

gedenken

55

H3920

לָכַד

veroveren

54

H7901

שָׁכַב

liggen/slapen

105

H7126

קָרַב

naderen

57

Noot 1 STR is het Strong’s nummer van het betreffende werkwoord.
Noot 2 AANTAL betreft het aantal keer dat het werkwoord in een qal imperfectum vorm voorkomt in de Tanach; imperfectum consecutivum vormen niet meegerekend

Oefenteksten

Hieronder aantal teksten waarin een imperfectumvorm van זָכַר of van שָׁמַר voorkomt.
Bedoeld als oefening om imperfectumvormen te herkennen.

BOEK

HFD

VS

WLC

PSA

22

27

יֹאכְלוּ עֲנָוִים וְיִשְׂבָּעוּ יְהַלְלוּ יְהוָה דֹּרְשָׁיו יְחִי לְבַבְכֶם לָעַד׃

2SA

14

11

וַתֹּאמֶר יִזְכָּר־נָא הַמֶּלֶךְ אֶת־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מהרבית [מֵהַרְבַּת] גֹּאֵל הַדָּם לְשַׁחֵת וְלֹא יַשְׁמִידוּ אֶת־בְּנִי וַיֹּאמֶר חַי־יְהוָה אִם־יִפֹּל מִשַּׂעֲרַת בְּנֵךְ אָרְצָה׃

DEU

7

18

לֹא תִירָא מֵהֶם זָכֹר תִּזְכֹּר אֵת אֲשֶׁר־עָשָׂה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְפַרְעֹה וּלְכָל־מִצְרָיִם׃

1SA

2

9

רַגְלֵי חסידו [חֲסִידָיו] יִשְׁמֹר וּרְשָׁעִים בַּחֹשֶׁךְ יִדָּמּוּ כִּי־לֹא בְכֹחַ יִגְבַּר־אִישׁ׃

ISA

54

4

אַל־תִּירְאִי כִּי־לֹא תֵבוֹשִׁי וְאַל־תִּכָּלְמִי כִּי לֹא תַחְפִּירִי כִּי בֹשֶׁת עֲלוּמַיִךְ תִּשְׁכָּחִי וְחֶרְפַּת אַלְמְנוּתַיִךְ לֹא תִזְכְּרִי־עוֹד׃

LAM

3

20

זָכוֹר תִּזְכּוֹר ותשיח [וְתָשׁוֹחַ] עָלַי נַפְשִׁי׃

LEV

26

42

וְזָכַרְתִּי אֶת־בְּרִיתִי יַעֲקוֹב וְאַף אֶת־בְּרִיתִי יִצְחָק וְאַף אֶת־בְּרִיתִי אַבְרָהָם אֶזְכֹּר וְהָאָרֶץ אֶזְכֹּר׃

NUM

15

40

לְמַעַן תִּזְכְּרוּ וַעֲשִׂיתֶם אֶת־כָּל־מִצְוֺתָי וִהְיִיתֶם קְדֹשִׁים לֵאלֹהֵיכֶם׃

1KI

2

4

לְמַעַן יָקִים יְהוָה אֶת־דְּבָרוֹ אֲשֶׁר דִּבֶּר עָלַי לֵאמֹר אִם־יִשְׁמְרוּ בָנֶיךָ אֶת־דַּרְכָּם לָלֶכֶת לְפָנַי בֶּאֱמֶת בְּכָל־לְבָבָם וּבְכָל־נַפְשָׁם לֵאמֹר לֹא־יִכָּרֵת לְךָ אִישׁ מֵעַל כִּסֵּא יִשְׂרָאֵל׃

DEU

6

25

וּצְדָקָה תִּהְיֶה־לָּנוּ כִּי־נִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת־כָּל־הַמִּצְוָה הַזֹּאת לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֵינוּ כַּאֲשֶׁר צִוָּנוּ׃

DEU

8

2

וְזָכַרְתָּ אֶת־כָּל־הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר הֹלִיכֲךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ זֶה אַרְבָּעִים שָׁנָה בַּמִּדְבָּר לְמַעַן עַנֹּתְךָ לְנַסֹּתְךָ לָדַעַת אֶת־אֲשֶׁר בִּלְבָבְךָ הֲתִשְׁמֹר מצותו [מִצְוֺתָיו] אִם־לֹא׃

JDG

13

14

NUM

23

12

וַיַּעַן וַיֹּאמַר הֲלֹא אֵת אֲשֶׁר יָשִׂים יְהוָה בְּפִי אֹתוֹ אֶשְׁמֹר לְדַבֵּר׃

GEN

17

9

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים אֶל־אַבְרָהָם וְאַתָּה אֶת־בְּרִיתִי תִשְׁמֹר אַתָּה וְזַרְעֲךָ אַחֲרֶיךָ לְדֹרֹתָם׃

GEN

17

10

זֹאת בְּרִיתִי אֲשֶׁר תִּשְׁמְרוּ בֵּינִי וּבֵינֵיכֶם וּבֵין זַרְעֲךָ אַחֲרֶיךָ הִמּוֹל לָכֶם כָּל־זָכָר׃