Conjugaties III-alef

Tabel 1 geeft de vervoeging van de tien, in het perfectum meest voorkomende III-alef werkwoorden. Alleen vormen die in de bijbel voorkomen zijn in de tabel opgenomen.
De vertaling van deze tien werkwoorden staat in Tabel 2.

Perfectum III-alef

Tabel 1
Vervoeging perfectum 10 III-alef werkwoorden

Perfectum

H4672

H3372

H7121

H2398

H5375

H4390

H8130

H3318

H1934

H1254

3ms

מָצָא

יָרֵא

קָרָא

חָטָא

נָשָׂא

מָלֵא

שָׂנֵא

יָצָא

הֲוָה

בָּרָא

3fs

מָצְאָה

יָרְאָה

קָרְאָה

חָטָאָה

נָשְׂאָה

מָלְאָה

שָׂנְאָה

יָצְאָה

הֲוָת

2ms

מָצָאתָ

יָרֵאתָ

קָרָאתָ

חָטָאתָ

נָשָׂאתָ

מָלֵאתָ

שָׂנֵאתָ

יָצָאתָ

הֲוַיְתָ

בָּרָאתָ

2fs

מָצָאת

קָרָאת

שָׂנֵאת

1cs

מָצָאתִי

יָרֵאתִי

קָרָאתִי

חָטָאתִי

נָשָׂאתִי

מָלֵתִי

שָׂנֵאתִי

יָצָאתִי

הֲוֵית

בָּרָאתִי

3cp

מָצְאוּ

יָרְאוּ

קָרְאוּ

חָטְאוּ

נָשְׂאוּ

מָלְאוּ

שָׂנְאוּ

יָצְאוּ

2mp

מְצָאתֶם

יְרֵאתֶם

קְרָאתֶם

חֲטָאתֶם

נְשָׂאתֶם

שְׂנֵאתֶם

יְצָאתֶם

2fp

1cp

מָצָאנוּ

יָרֵאנוּ

חָטָאנוּ

יָצָאנוּ

Tabel 2
Vertaling werkwoorden uit Tabel 1

STR

HEBR

VERTALING

AANTAL

H4672

מָצָא

vinden

127

H3318

יָצָא

weg-/uitgaan

119

H7121

קָרָא

roepen/nodigen/met le: noemen

119

H2398

חָטָא

zondigen

109

H5375

נָשָׂא

I vergeven; II dragen/optillen/heffen

73

H4390

מָלֵא

vol zijn/vullen

62

H8130

שָׂנֵא

haten

39

H3372

יָרֵא

vrezen

35

H1934

הָוָא

(Aramees) zijn/worden

32

H1254

בָּרָא

scheppen

20

Voorbeeldteksten מָצָא

BOEK

HFD

VS

WLC

HSV

GEN

18

3

וַיֹּאמַ֑ר אֲדֹנָ֗י אִם־נָ֨א מָצָ֤אתִי חֵן֙ בְּעֵינֶ֔יךָ אַל־נָ֥א תַעֲבֹ֖ר מֵעַ֥ל עַבְדֶּֽךָ׃

En hij zei: Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij.

GEN

26

32

וַיְהִ֣י ׀ בַּיּ֣וֹם הַה֗וּא וַיָּבֹ֨אוּ֙ עַבְדֵ֣י יִצְחָ֔ק וַיַּגִּ֣דוּ ל֔וֹ עַל־אֹד֥וֹת הַבְּאֵ֖ר אֲשֶׁ֣ר חָפָ֑רוּ וַיֹּ֥אמְרוּ ל֖וֹ מָצָ֥אנוּ מָֽיִם׃

Het gebeurde nog op diezelfde dag dat de dienaren van Izak hem kwamen vertellen over de put die zij gegraven hadden; zij zeiden tegen hem: Wij hebben water gevonden!

GEN

30

27

וַיֹּ֤אמֶר אֵלָיו֙ לָבָ֔ן אִם־נָ֛א מָצָ֥אתִי חֵ֖ן בְּעֵינֶ֑יךָ נִחַ֕שְׁתִּי וַיְבָרֲכֵ֥נִי יְהוָ֖ה בִּגְלָלֶֽךָ׃

Toen zei Laban tegen hem: Laat mij toch genade vinden in jouw ogen; ik heb waargenomen dat de HEERE mij omwille van jou gezegend heeft.

GEN

31

37

כִּֽי־מִשַּׁ֣שְׁתָּ אֶת־כָּל־כֵּלַ֗י מַה־מָּצָ֨אתָ֙ מִכֹּ֣ל כְּלֵי־בֵיתֶ֔ךָ שִׂ֣ים כֹּ֔ה נֶ֥גֶד אַחַ֖י וְאַחֶ֑יךָ וְיוֹכִ֖יחוּ בֵּ֥ין שְׁנֵֽינוּ׃

en dat u al mijn huisraad hebt doorzocht? Wat hebt u van al uw eigen huisraad gevonden? Leg het hier neer ten overstaan van mijn verwanten en uw verwanten en laten zij tussen ons beiden rechtspreken.

GEN

33

10

וַיֹּ֣אמֶר יַעֲקֹ֗ב אַל־נָא֙ אִם־נָ֨א מָצָ֤אתִי חֵן֙ בְּעֵינֶ֔יךָ וְלָקַחְתָּ֥ מִנְחָתִ֖י מִיָּדִ֑י כִּ֣י עַל־כֵּ֞ן רָאִ֣יתִי פָנֶ֗יךָ כִּרְאֹ֛ת פְּנֵ֥י אֱלֹהִ֖ים וַתִּרְצֵֽנִי׃

Jakob zei daarop: Nee toch, als ik toch genade in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van God zag, en u bent mij goedgezind geweest.

GEN

37

32

וַֽיְשַׁלְּח֞וּ אֶת־כְּתֹ֣נֶת הַפַּסִּ֗ים וַיָּבִ֨יאוּ֙ אֶל־אֲבִיהֶ֔ם וַיֹּאמְר֖וּ זֹ֣את מָצָ֑אנוּ הַכֶּר־נָ֗א הַכְּתֹ֧נֶת בִּנְךָ֛ הִ֖וא אִם־לֹֽא׃

Zij stuurden het veelkleurige gewaad naar hun vader en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Kijk toch eens of dit het gewaad van uw zoon is of niet.

GEN

44

8

הֵ֣ן כֶּ֗סֶף אֲשֶׁ֤ר מָצָ֨אנוּ֙ בְּפִ֣י אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ הֱשִׁיבֹ֥נוּ אֵלֶ֖יךָ מֵאֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וְאֵ֗יךְ נִגְנֹב֙ מִבֵּ֣ית אֲדֹנֶ֔יךָ כֶּ֖סֶף א֥וֹ זָהָֽב׃

Zie, het geld dat wij boven in onze zakken vonden, hebben wij uit het land Kanaän naar u teruggebracht! Waarom zouden wij dan zilver of goud stelen uit het huis van uw heer?

GEN

47

29

וַיִּקְרְב֣וּ יְמֵֽי־יִשְׂרָאֵ֘ל לָמוּת֒ וַיִּקְרָ֣א ׀ לִבְנ֣וֹ לְיוֹסֵ֗ף וַיֹּ֤אמֶר לוֹ֙ אִם־נָ֨א מָצָ֤אתִי חֵן֙ בְּעֵינֶ֔יךָ שִֽׂים־נָ֥א יָדְךָ֖ תַּ֣חַת יְרֵכִ֑י וְעָשִׂ֤יתָ עִמָּדִי֙ חֶ֣סֶד וֶאֱמֶ֔ת אַל־נָ֥א תִקְבְּרֵ֖נִי בְּמִצְרָֽיִם׃

Toen de dagen voor Israël naderbij kwamen dat hij zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: Als ik toch genade in jouw ogen gevonden heb, leg dan toch je hand onder mijn heup en zweer dat je mij goedertierenheid en trouw zult bewijzen. Begraaf mij toch niet in Egypte,

GEN

50

4

וַיַּֽעַבְרוּ֙ יְמֵ֣י בְכִית֔וֹ וַיְדַבֵּ֣ר יוֹסֵ֔ף אֶל־בֵּ֥ית פַּרְעֹ֖ה לֵאמֹ֑ר אִם־נָ֨א מָצָ֤אתִי חֵן֙ בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם דַּבְּרוּ־נָ֕א בְּאָזְנֵ֥י פַרְעֹ֖ה לֵאמֹֽר׃

Toen de dagen van het bewenen van Jakob voorbij waren, sprak Jozef tot het huis van de farao: Als ik toch genade gevonden heb in uw ogen, spreek dan ten aanhoren van de farao:

EXO

15

22

וַיַּסַּ֨ע מֹשֶׁ֤ה אֶת־יִשְׂרָאֵל֙ מִיַּם־ס֔וּף וַיֵּצְא֖וּ אֶל־מִדְבַּר־שׁ֑וּר וַיֵּלְכ֧וּ שְׁלֹֽשֶׁת־יָמִ֛ים בַּמִּדְבָּ֖ר וְלֹא־מָ֥צְאוּ מָֽיִם׃

Hierna liet Mozes Israël vanaf de Schelfzee opbreken en zij vertrokken naar de woestijn Sur. Drie dagen gingen zij door de woestijn en vonden geen water.

Voorbeeldteksten יָרֵא

BOEK

HFD

VS

WLC

HSV

GEN

31

31

וַיַּ֥עַן יַעֲקֹ֖ב וַיֹּ֣אמֶר לְלָבָ֑ן כִּ֣י יָרֵ֔אתִי כִּ֣י אָמַ֔רְתִּי פֶּן־תִּגְזֹ֥ל אֶת־בְּנוֹתֶ֖יךָ מֵעִמִּֽי׃

Toen antwoordde Jakob en zei tegen Laban: Ik was namelijk bevreesd, want ik dacht dat u mij anders uw dochters met geweld zou afnemen.

EXO

1

21

וַיְהִ֕י כִּֽי־יָֽרְא֥וּ הַֽמְיַלְּדֹ֖ת אֶת־הָאֱלֹהִ֑ים וַיַּ֥עַשׂ לָהֶ֖ם בָּתִּֽים׃

En het gebeurde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, dat Hij aan hen nakomelingen schonk.

NUM

12

8

פֶּ֣ה אֶל־פֶּ֞ה אֲדַבֶּר־בּ֗וֹ וּמַרְאֶה֙ וְלֹ֣א בְחִידֹ֔ת וּתְמֻנַ֥ת יְהוָ֖ה יַבִּ֑יט וּמַדּ֨וּעַ֙ לֹ֣א יְרֵאתֶ֔ם לְדַבֵּ֖ר בְּעַבְדִּ֥י בְמֹשֶֽׁה׃

met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar, en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van de HEERE . Waarom dan bent u niet bevreesd geweest om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?

DEU

5

5

אָ֠נֹכִי עֹמֵ֨ד בֵּין־יְהוָ֤ה וּבֵֽינֵיכֶם֙ בָּעֵ֣ת הַהִ֔וא לְהַגִּ֥יד לָכֶ֖ם אֶת־דְּבַ֣ר יְהוָ֑ה כִּ֤י יְרֵאתֶם֙ מִפְּנֵ֣י הָאֵ֔שׁ וְלֹֽא־עֲלִיתֶ֥ם בָּהָ֖ר לֵאמֹֽר׃ ס

(ik stond in die tijd tussen de HEERE en u in, om u het woord van de HEERE bekend te maken, want u was bevreesd vanwege het vuur en klom de berg niet op). Hij zei:

JOS

4

14

בַּיּ֣וֹם הַה֗וּא גִּדַּ֤ל יְהוָה֙ אֶת־יְהוֹשֻׁ֔עַ בְּעֵינֵ֖י כָּל־יִשְׂרָאֵ֑ל וַיִּֽרְא֣וּ אֹת֔וֹ כַּאֲשֶׁ֛ר יָרְא֥וּ אֶת־מֹשֶׁ֖ה כָּל־יְמֵ֥י חַיָּֽיו׃ פ

Op die dag maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van heel Israël en zij hadden ontzag voor hem, zoals zij voor Mozes ontzag hadden gehad, alle dagen van zijn leven.

JOS

4

24

לְ֠מַעַן דַּ֜עַת כָּל־עַמֵּ֤י הָאָ֨רֶץ֙ אֶת־יַ֣ד יְהוָ֔ה כִּ֥י חֲזָקָ֖ה הִ֑יא לְמַ֧עַן יְרָאתֶ֛ם אֶת־יְהוָ֥ה אֱלֹהֵיכֶ֖ם כָּל־הַיָּמִֽים׃ ס

opdat alle volken van de aarde zouden weten dat de hand van de HEERE sterk is; opdat u de HEERE , uw God, alle dagen vreest.

1SA

15

24

וַיֹּ֨אמֶר שָׁא֤וּל אֶל־שְׁמוּאֵל֙ חָטָ֔אתִי כִּֽי־עָבַ֥רְתִּי אֶת־פִּֽי־יְהוָ֖ה וְאֶת־דְּבָרֶ֑יךָ כִּ֤י יָרֵ֨אתִי֙ אֶת־הָעָ֔ם וָאֶשְׁמַ֖ע בְּקוֹלָֽם׃

Toen zei Saul tegen Samuel: Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van de HEERE en uw woorden overtreden heb, want ik was bevreesd voor het volk en heb naar hun stem geluisterd.

2SA

1

14

וַיֹּ֥אמֶר אֵלָ֖יו דָּוִ֑ד אֵ֚יךְ לֹ֣א יָרֵ֔אתָ לִשְׁלֹ֨חַ֙ יָֽדְךָ֔ לְשַׁחֵ֖ת אֶת־מְשִׁ֥יחַ יְהוָֽה׃

David zei tegen hem: Wat? Bent u niet bevreesd geweest uw hand uit te strekken om de gezalfde van de HEERE om te brengen?

2KI

17

25

וַיְהִ֗י בִּתְחִלַּת֙ שִׁבְתָּ֣ם שָׁ֔ם לֹ֥א יָרְא֖וּ אֶת־יְהוָ֑ה וַיְשַׁלַּ֨ח יְהוָ֤ה בָּהֶם֙ אֶת־הָ֣אֲרָי֔וֹת וַיִּֽהְי֥וּ הֹרְגִ֖ים בָּהֶֽם׃

En het gebeurde in de begin tijd dat zij daar woonden, dat zij de HEERE niet vreesden. Daarom zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.

2KI

25

26

וַיָּקֻ֨מוּ כָל־הָעָ֜ם מִקָּטֹ֤ן וְעַד־גָּדוֹל֙ וְשָׂרֵ֣י הַחֲיָלִ֔ים וַיָּבֹ֖אוּ מִצְרָ֑יִם כִּ֥י יָרְא֖וּ מִפְּנֵ֥י כַשְׂדִּֽים׃ פ

Toen maakte heel het volk zich gereed, van de kleinste tot de grootste, en de bevelhebbers van het leger, en zij gingen naar Egypte, want zij waren bevreesd voor de Chaldeeën.