BOEK | HFD | VS | WLC | SV | HSV |
|---|---|---|---|---|---|
1CH | 16 | 35 | וְאִמְרוּ הֹושִׁיעֵנוּ אֱלֹהֵי יִשְׁעֵנוּ וְקַבְּצֵנוּ וְהַצִּילֵנוּ מִן־הַגֹּויִם לְהֹדֹות לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ לְהִשְׁתַּבֵּחַ בִּתְהִלָּתֶךָ׃ | En zegt: Verlos ons o God onzes heils en verzamel ons en red ons van de heidenen dat wij Uw heiligen Naam loven en dat wij ons Uws lofs roemen. | En zeg: Verlos ons, o God van ons heil, en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken, opdat wij Uw heilige Naam loven en ons beroemen in Uw lof. |
PSA | 63 | 3 | כִּי־טֹוב חַסְדְּךָ מֵחַיִּים שְׂפָתַי יְשַׁבְּחוּנְךָ׃ | Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen. | Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven; daarom zullen mijn lippen U prijzen. |
PSA | 65 | 7 | מַשְׁבִּיחַ שְׁאֹון יַמִּים שְׁאֹון גַּלֵּיהֶם וַהֲמֹון לְאֻמִּים׃ | Die het bruisen der zeeën stilt het bruisen harer golven en het rumoer der volken. | Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen van hun golven en het rumoer van de volken. |
PSA | 89 | 9 | אַתָּה מֹושֵׁל בְּגֵאוּת הַיָּם בְּשֹׂוא גַלָּיו אַתָּה תְשַׁבְּחֵם׃ | Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen zo stilt Gij ze. | U heerst over de overmoed van de zee; wanneer haar golven zich verheffen, stilt Ú ze. |
PSA | 106 | 47 | הֹושִׁיעֵנוּ יְהוָה אֱלֹהֵינוּ וְקַבְּצֵנוּ מִן־הַגֹּויִם לְהֹדֹות לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ לְהִשְׁתַּבֵּחַ בִּתְהִלָּתֶךָ׃ | Verlos ons HEERE onze God! en verzamel ons uit de heidenen opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven ons beroemende in Uw lof. | Verlos ons, HEERE, onze God, breng ons bijeen vanuit de heidenvolken, opdat wij Uw heilige Naam loven en ons beroemen in Uw lof. |
PSA | 117 | 1 | הַלְלוּ אֶת־יְהוָה כָּל־גֹּויִם שַׁבְּחוּהוּ כָּל־הָאֻמִּים׃ | Looft den HEERE alle heidenen; prijst Hem alle natiën! | Loof de HEERE, alle heidenvolken; prijs Hem, alle natiën. |
PSA | 145 | 4 | דֹּור לְדֹור יְשַׁבַּח מַעֲשֶׂיךָ וּגְבוּרֹתֶיךָ יַגִּידוּ׃ | Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen. | Generatie op generatie zal Uw werken roemen, [ daleth] zij zullen Uw machtige daden verkondigen. |
PSA | 147 | 12 | שַׁבְּחִי יְרוּשָׁלִַם אֶת־יְהוָה הַלְלִי אֱלֹהַיִךְ צִיֹּון׃ | O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God. | Jeruzalem, roem de HEERE, Sion, loof uw God. |
PRO | 29 | 11 | כָּל־רוּחֹו יֹוצִיא כְסִיל וְחָכָם בְּאָחֹור יְשַׁבְּחֶנָּה׃ | Een zot laat zijn gansen geest uit maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts. | Een dwaas laat heel zijn geest de vrije loop, maar een wijze houdt die in toom. |
ECC | 4 | 2 | וְשַׁבֵּחַ אֲנִי אֶת־הַמֵּתִים שֶׁכְּבָר מֵתוּ מִן־הַחַיִּים אֲשֶׁר הֵמָּה חַיִּים עֲדֶנָה׃ | Dies prees ik de doden die alrede gestorven waren boven de levenden die tot nog toe levend zijn. | Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, omdat die nog steeds in leven zijn. |
ECC | 8 | 15 | וְשִׁבַּחְתִּי אֲנִי אֶת־הַשִּׂמְחָה אֲשֶׁר אֵין־טֹוב לָאָדָם תַּחַת הַשֶּׁמֶשׁ כִּי אִם־לֶאֱכֹול וְלִשְׁתֹּות וְלִשְׂמֹוחַ וְהוּא יִלְוֶנּוּ בַעֲמָלֹו יְמֵי חַיָּיו אֲשֶׁר־נָתַן־לֹו הָאֱלֹהִים תַּחַת הַשָּׁמֶשׁ׃ | Daarom prees ik de blijdschap dewijl de mens niets beters heeft onder de zon dan te eten en te drinken en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid de dagen zijns levens die hem God geeft onder de zon. | Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon dan te eten, te drinken en zich te verblijden. Dat zal hem immers vergezellen bij zijn zwoegen, de dagen van zijn leven die God hem geeft onder de zon. |
Psalm 117
Tekst Psalm 117
Met vocaaltekens en accenten
BOEK | HFD | VS | WLCacc |
|---|---|---|---|
PSA | 117 | 1 | הַֽלְל֣וּ אֶת ־יְ֭הוָה כָּל ־גּוֹיִ֑ם שַׁ֝בְּח֗וּהוּ כָּל ־הָאֻמִּֽים ׃ |
PSA | 117 | 2 | כִּ֥י גָ֘בַ֤ר עָלֵ֨ינוּ חַסְדּ֗וֹ וֶֽאֱמֶת ־יְהוָ֥ה לְעוֹלָ֗ם הַֽלְלוּ ־יָֽהּ ׃ |
Met vocaaltekens, zonder accenten
BOEK | HFD | VS | WLC |
|---|---|---|---|
PSA | 117 | 1 | הַֽלְל֣וּ אֶת־יְ֭הוָה כָּל־גּוֹיִ֑ם שַׁ֝בְּח֗וּהוּ כָּל־הָאֻמִּֽים׃ |
PSA | 117 | 2 | כִּ֥י גָ֘בַ֤ר עָלֵ֨ינוּ ׀ חַסְדּ֗וֹ וֶֽאֱמֶת־יְהוָ֥ה לְעוֹלָ֗ם הַֽלְלוּ־יָֽהּ׃ |
Psalm 117: 1
- הַלְלוּ piel, gebiedende wijs m mv, הָלַל
- 164x; 116x in piel vorm
- piel: loven, prijzen
- qal: dwaas, overmoedig zijn; groot gaan op (ps.5:5, 73:3, 75:5)
- גּוֹי
- 561x; 124x ms, 437x mp
- volk, natie; ev: vaak Israel; mv: i.h.a. de heidenvolken
- eerste keer: Gen.10: 5,20,31,32; verdeling van de volken over de aarde
- Gen12:2; Ik zal u tot een groot volk maken
- BDB lexicon
- specifiek de nakomelingen van Abraham (bijv. Gen.18:18)
- specifiek het volk Israel (bijv. Ex.19:6)
- gewoonlijk niet-Hebreeuwse volken (bijv. Ex.34:10)
- שַׁבְּחוּהוּ
- piel, geb.wijs mp met suffix 3ms
- שָׁבַח
- 11x; 7x in Psalmen
- pi. loven, prijzen
- zie overzicht van alle tekstn hieronder in Bijlagen
- אֻמַּה
- 3x; Gen.25:16, Num.25:15, Ps117:1
- natie, volk
- zie overzicht van alle tekstn hieronder in Bijlagen
Genesis 117: 2
- גָבַר
- 25x; qal 17x; piel 3x; hitp. 3x; hifil 2x
- sterk machtig zijn, overwinnen, wassen (van water); pi sterk, machtig maken; kracht aanwenden; hifil sterk zijn, kracht tonen; hitp. zich verheffen; overweldigen; zich overmoedig gedragen
- חֵסֵד
- 247x; Psalmen 127x
- in combinatie met emet 33x; zie hieronder bij Bijlagen
- liefde, gunst, genade, welwillendheid, barmhartigheid
- אֶמֶת
- 127x; Psalmen 37x
- waarheid, trouw
- עוֹלָם
- 438x; Psalmen 143x
- onafzienbare tijd; eeuwigheid
- לְעוֹלָ֗ם voor altijd
Vertaling Psalm 117
Loof de HEER alle volken, prijs Hem al de natiën
want machtig over ons is zijn genade en de trouw van de HEER is voor altijd. Loof de HEER.
Diverse vertalingen Psalm 117
Bijlagen
Teksten met werkwoord shabach, prijzen/loven (H6723)
Teksten met zelfstandig naamwoord אֻמַּה, volk, natie (H523)
BOEK | HFD | VS | WLC | SV | HSV |
|---|---|---|---|---|---|
GEN | 25 | 16 | אֵלֶּה הֵם בְּנֵי יִשְׁמָעֵאל וְאֵלֶּה שְׁמֹתָם בְּחַצְרֵיהֶם וּבְטִירֹתָם שְׁנֵים־עָשָׂר נְשִׂיאִם לְאֻמֹּתָם׃ | Deze zijn de zonen van Ismaël en dit zijn hun namen in hun dorpen en paleizen twaalf vorsten naar hun volken. | Dit zijn de zonen van Ismaël en dit zijn hun namen, in hun dorpen en tentenkampen: twaalf vorsten, ingedeeld naar hun stammen. |
NUM | 25 | 15 | וְשֵׁם הָאִשָּׁה הַמֻּכָּה הַמִּדְיָנִית כָּזְבִּי בַת־צוּר רֹאשׁ אֻמֹּות בֵּית־אָב בְּמִדְיָן הוּא׃ פ | En de naam der verslagene Midianietische vrouw was Kozbi een dochter van Zur die een hoofd was der volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten. | En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian. |
PSA | 117 | 1 | הַלְלוּ אֶת־יְהוָה כָּל־גֹּויִם שַׁבְּחוּהוּ כָּל־הָאֻמִּים׃ | Looft den HEERE alle heidenen; prijst Hem alle natiën! | Loof de HEERE, alle heidenvolken; prijs Hem, alle natiën. |
Teksten met chesed en emet (H2617 en H571)
BOEK | HFD | VS | WLC | SV | HSV |
|---|---|---|---|---|---|
GEN | 24 | 27 | וַיֹּאמֶר בָּרוּךְ יְהוָה אֱלֹהֵי אֲדֹנִי אַבְרָהָם אֲשֶׁר לֹא־עָזַב חַסְדֹּו וַאֲמִתֹּו מֵעִם אֲדֹנִי אָנֹכִי בַּדֶּרֶךְ נָחַנִי יְהוָה בֵּית אֲחֵי אֲדֹנִי׃ | En hij zeide: Geloofd zij de HEERE de God van mijn heer Abraham Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij de HEERE heeft mij op dezen weg geleid ten huize van mijns heren broederen. | Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die mijn heer Zijn goedertierenheid en Zijn trouw niet onthouden heeft. Wat mij aangaat, de HEERE heeft mij op deze weg geleid naar het huis van de broeders van mijn heer. |
GEN | 24 | 49 | וְעַתָּה אִם־יֶשְׁכֶם עֹשִׂים חֶסֶד וֶאֱמֶת אֶת־אֲדֹנִי הַגִּידוּ לִי וְאִם־לֹא הַגִּידוּ לִי וְאֶפְנֶה עַל־יָמִין אֹו עַל־שְׂמֹאל׃ | Nu dan zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult geeft het mij te kennen; en zo niet geeft het mij ook te kennen opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende. | Welnu, als u mijn heer goedertierenheid en trouw wilt bewijzen, vertel het mij; en zo niet, vertel het mij ook, dan kan ik mij naar rechts of links wenden. |
GEN | 32 | 10 | קָטֹנְתִּי מִכֹּל הַחֲסָדִים וּמִכָּל־הָאֱמֶת אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת־עַבְדֶּךָ כִּי בְמַקְלִי עָבַרְתִּי אֶת־הַיַּרְדֵּן הַזֶּה וְעַתָּה הָיִיתִי לִשְׁנֵי מַחֲנֹות׃ | Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan en nu ben ik tot twee heiren geworden! | ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt. Immers, slechts met mijn staf ben ik de Jordaan hier overgestoken en nu ben ik tot twee kampen uitgegroeid! |
GEN | 47 | 29 | וַיִּקְרְבוּ יְמֵי־יִשְׂרָאֵל לָמוּת וַיִּקְרָא לִבְנֹו לְיֹוסֵף וַיֹּאמֶר לֹו אִם־נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ שִׂים־נָא יָדְךָ תַּחַת יְרֵכִי וְעָשִׂיתָ עִמָּדִי חֶסֶד וֶאֱמֶת אַל־נָא תִקְבְּרֵנִי בְּמִצְרָיִם׃ | Als nu de dagen van Israël naderden dat hij sterven zou zo riep hij zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen zo leg toch uw hand onder mijn heup en doe weldadigheid en trouw aan mij en begraaf mij toch niet in Egypte; | Toen de dagen voor Israël naderbij kwamen dat hij zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: Als ik toch genade in jouw ogen gevonden heb, leg dan toch je hand onder mijn heup en zweer dat je mij goedertierenheid en trouw zult bewijzen. Begraaf mij toch niet in Egypte, |
EXO | 34 | 6 | וַיַּעֲבֹר יְהוָה עַל־פָּנָיו וַיִּקְרָא יְהוָה יְהוָה אֵל רַחוּם וְחַנּוּן אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב־חֶסֶד וֶאֱמֶת | Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging zo riep Hij: HEERE HEERE God barmhartig en genadig lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. | Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, |
JOS | 2 | 12 | וְעַתָּה הִשָּׁבְעוּ־נָא לִי בַּיהוָה כִּי־עָשִׂיתִי עִמָּכֶם חָסֶד וַעֲשִׂיתֶם גַּם־אַתֶּם עִם־בֵּית אָבִי חֶסֶד וּנְתַתֶּם לִי אֹות אֱמֶת׃ | Nu dan zweert mij toch bij den HEERE dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis en geeft mij een waarteken | Nu dan, zweer mij toch bij de HEERE, omdat ik goedertierenheid aan u bewezen heb, dat u ook goedertierenheid zult bewijzen aan het huis van mijn vader, en geef mij een teken van trouw |
JOS | 2 | 14 | וַיֹּאמְרוּ לָהּ הָאֲנָשִׁים נַפְשֵׁנוּ תַחְתֵּיכֶם לָמוּת אִם לֹא תַגִּידוּ אֶת־דְּבָרֵנוּ זֶה וְהָיָה בְּתֵת־יְהוָה לָנוּ אֶת־הָאָרֶץ וְעָשִׂינוּ עִמָּךְ חֶסֶד וֶאֱמֶת׃ | Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor ulieden om te sterven indien gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden wanneer de HEERE ons dit land geeft zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen. | Toen zeiden die mannen tegen haar: Als u deze zaak van ons niet bekendmaakt, zetten wij ons leven in om in uw plaats te sterven. Het zal dan gebeuren, wanneer de HEERE ons dit land geeft, dat wij aan u goedertierenheid en trouw zullen bewijzen. |
2SA | 2 | 6 | וְעַתָּה יַעַשׂ־יְהוָה עִמָּכֶם חֶסֶד וֶאֱמֶת וְגַם אָנֹכִי אֶעֱשֶׂה אִתְּכֶם הַטֹּובָה הַזֹּאת אֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם הַדָּבָר הַזֶּה׃ | Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook ik zal aan u dit goede doen dewijl gij deze zaak gedaan hebt. | Welnu dan, moge de HEERE aan u goedertierenheid en trouw bewijzen; en ook ik zal dit goede aan u terug doen, omdat u dit gedaan hebt. |
2SA | 15 | 20 | תְּמֹול בֹּואֶךָ וְהַיֹּום אנועך עִמָּנוּ לָלֶכֶת וַאֲנִי הֹולֵךְ עַל אֲשֶׁר־אֲנִי הֹולֵךְ שׁוּב וְהָשֵׁב אֶת־אַחֶיךָ עִמָּךְ חֶסֶד וֶאֱמֶת׃ | Gisteren zijt gij gekomen en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet waarheen ik gaan kan keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u. | Gisteren bent u gekomen en dan zou ik u vandaag met ons meevoeren om weg te gaan? Ik moet immers gaan waarheen ik gaan kan. Keer terug en breng uw broeders terug; mogen goedertierenheid en trouw met u zijn. |
1KI | 3 | 6 | וַיֹּאמֶר שְׁלֹמֹה אַתָּה עָשִׂיתָ עִם־עַבְדְּךָ דָוִד אָבִי חֶסֶד גָּדֹול כַּאֲשֶׁר הָלַךְ לְפָנֶיךָ בֶּאֱמֶת וּבִצְדָקָה וּבְיִשְׁרַת לֵבָב עִמָּךְ וַתִּשְׁמָר־לֹו אֶת־הַחֶסֶד הַגָּדֹול הַזֶּה וַתִּתֶּן־לֹו בֵן יֹשֵׁב עַל־כִּסְאֹו כַּיֹּום הַזֶּה׃ | En Sálomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David mijn vader grote weldadigheid gedaan gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft in waarheid en in gerechtigheid en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden dat Gij hem gegeven hebt een zoon zittende op zijn troon als te dezen dage. | Salomo zei: Ú hebt aan Uw dienaar David, mijn vader, grote goedertierenheid bewezen, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in trouw, in rechtvaardigheid en in oprechtheid van hart bij U. En U hebt dit grote blijk van goedertierenheid aan hem bewezen dat U hem een zoon gaf die op zijn troon zit, zoals op deze dag. |
PSA | 25 | 10 | כָּל־אָרְחֹות יְהוָה חֶסֶד וֶאֱמֶת לְנֹצְרֵי בְרִיתֹו וְעֵדֹתָיו׃ | Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid dengenen die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. | Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw [ kaph] voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht nemen. |
PSA | 26 | 3 | כִּי־חַסְדְּךָ לְנֶגֶד עֵינָי וְהִתְהַלַּכְתִּי בַּאֲמִתֶּךָ׃ | Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen en ik wandel in Uw waarheid. | Want Uw goedertierenheid houd ik voor ogen, ik wandel in Uw waarheid. |
PSA | 40 | 10 | צִדְקָתְךָ לֹא־כִסִּיתִי בְּתֹוךְ לִבִּי אֱמוּנָתְךָ וּתְשׁוּעָתְךָ אָמָרְתִּי לֹא־כִחַדְתִּי חַסְדְּךָ וַאֲמִתְּךָ לְקָהָל רָב׃ | Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. | Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart, Uw waarheid en Uw heil verkondig ik. Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet in de grote gemeente. |
PSA | 40 | 11 | אַתָּה יְהוָה לֹא־תִכְלָא רַחֲמֶיךָ מִמֶּנִּי חַסְדְּךָ וַאֲמִתְּךָ תָּמִיד יִצְּרוּנִי׃ | Gij o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden. | HEERE, Ú zult mij Uw barmhartigheid niet onthouden; laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij voortdurend beschermen. |
PSA | 57 | 3 | יִשְׁלַח מִשָּׁמַיִם וְיֹושִׁיעֵנִי חֵרֵף שֹׁאֲפִי סֶלָה יִשְׁלַח אֱלֹהִים חַסְדֹּו וַאֲמִתֹּו׃ | Hij zal van den hemel zenden en mij verlossen te schande makende dengene die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. | Hij zal hulp zenden uit de hemel en mij verlossen, Hij zal te schande maken wie mij wil opslokken. [ Sela] God zal Zijn goedertierenheid en Zijn trouw zenden. |
PSA | 57 | 10 | כִּי־גָדֹל עַד־שָׁמַיִם חַסְדֶּךָ וְעַד־שְׁחָקִים אֲמִתֶּךָ׃ | Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. | Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, Uw trouw tot de wolken. |
PSA | 61 | 7 | יֵשֵׁב עֹולָם לִפְנֵי אֱלֹהִים חֶסֶד וֶאֱמֶת מַן יִנְצְרֻהוּ׃ | Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid dat zij hem behoeden. | Eeuwig zal hij tronen voor Gods aangezicht. Beschik goedertierenheid en trouw, dat die hem beschermen. |
PSA | 69 | 13 | וַאֲנִי תְפִלָּתִי־לְךָ יְהוָה עֵת רָצֹון אֱלֹהִים בְּרָב־חַסְדֶּךָ עֲנֵנִי בֶּאֱמֶת יִשְׁעֶךָ׃ | Maar mij aangaande mijn gebed is tot U o HEERE; er is een tijd des welbehagens o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils. | Maar wat mij betreft, mijn gebed richt zich tot U, HEERE; er is een tijd van welbehagen, o God, vanwege Uw grote goedertierenheid; verhoor mij in de trouw van Uw heil. |
PSA | 85 | 10 | חֶסֶד־וֶאֱמֶת נִפְגָּשׁוּ צֶדֶק וְשָׁלֹום נָשָׁקוּ׃ | De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. | Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar. |
PSA | 86 | 15 | וְאַתָּה אֲדֹנָי אֵל־רַחוּם וְחַנּוּן אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב־חֶסֶד וֶאֱמֶת׃ | Maar Gij Heere! zijt een barmhartig en genadig God lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid. | Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw. |
PSA | 89 | 14 | צֶדֶק וּמִשְׁפָּט מְכֹון כִּסְאֶךָ חֶסֶד וֶאֱמֶת יְקַדְּמוּ פָנֶיךָ׃ | Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen. | Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit. |
PSA | 108 | 4 | כִּי־גָדֹול מֵעַל־שָׁמַיִם חַסְדֶּךָ וְעַד־שְׁחָקִים אֲמִתֶּךָ׃ | Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. | Want Uw goedertierenheid is groot en reikt tot boven de hemel, Uw trouw tot de wolken. |
PSA | 115 | 1 | לֹא לָנוּ יְהוָה לֹא לָנוּ כִּי־לְשִׁמְךָ תֵּן כָּבֹוד עַל־חַסְדְּךָ עַל־אֲמִתֶּךָ׃ | Niet ons o HEERE! niet ons maar Uw Naam geef eer om Uwer goedertierenheid om Uwer waarheid wil. | Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef Uw Naam eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw. |
PSA | 117 | 2 | כִּי גָבַר עָלֵינוּ חַסְדֹּו וֶאֱמֶת־יְהוָה לְעֹולָם הַלְלוּ־יָהּ׃ | Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah! | Want Zijn goedertierenheid is machtig over ons; de trouw van de HEERE is voor eeuwig. Halleluja! |
PSA | 138 | 2 | אֶשְׁתַּחֲוֶה אֶל־הֵיכַל קָדְשְׁךָ וְאֹודֶה אֶת־שְׁמֶךָ עַל־חַסְדְּךָ וְעַל־אֲמִתֶּךָ כִּי־הִגְדַּלְתָּ עַל־כָּל־שִׁמְךָ אִמְרָתֶךָ׃ | Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid en ik zal Uw Naam loven om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt. | Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis en Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw trouw, want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt. |
PRO | 3 | 3 | חֶסֶד וֶאֱמֶת אַל־יַעַזְבֻךָ קָשְׁרֵם עַל־גַּרְגְּרֹותֶיךָ כָּתְבֵם עַל־לוּחַ לִבֶּךָ׃ | Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; en bind ze aan uw hals schrijf ze op de tafel uws harten. | Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten. Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart, |
PRO | 14 | 22 | הֲלֹוא־יִתְעוּ חֹרְשֵׁי רָע וְחֶסֶד וֶאֱמֶת חֹרְשֵׁי טֹוב׃ | Dwalen zij niet die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen die goed stichten. | Zij die kwaad smeden, dwalen die niet? Goedertierenheid en trouw zijn er echter bij hen die het goede bewerken. |
PRO | 16 | 6 | בְּחֶסֶד וֶאֱמֶת יְכֻפַּר עָוֹן וּבְיִרְאַת יְהוָה סוּר מֵרָע׃ | Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade. | Door goedertierenheid en trouw wordt een misdaad verzoend, en door de vreze des HEEREN keert men zich af van het kwade. |
PRO | 20 | 28 | חֶסֶד וֶאֱמֶת יִצְּרוּ־מֶלֶךְ וְסָעַד בַּחֶסֶד כִּסְאֹו׃ | Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon. | Goedertierenheid en trouw beschermen een koning, en door goedertierenheid versterkt hij zijn troon. |
ISA | 16 | 5 | וְהוּכַן בַּחֶסֶד כִּסֵּא וְיָשַׁב עָלָיו בֶּאֱמֶת בְּאֹהֶל דָּוִד שֹׁפֵט וְדֹרֵשׁ מִשְׁפָּט וּמְהִר צֶדֶק׃ | Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid en op denzelven zal bestendig Een zitten in de tent van David Een Die oordeelt en het recht zoekt en vaardig is ter gerechtigheid. | dan zal er een troon gevestigd worden in goedertierenheid. Daarop zal blijvend Iemand zitten in de tent van David, Die oordeelt en recht zoekt, Die snel gerechtigheid brengt. |
HOS | 4 | 1 | שִׁמְעוּ דְבַר־יְהוָה בְּנֵי יִשְׂרָאֵל כִּי רִיב לַיהוָה עִם־יֹושְׁבֵי הָאָרֶץ כִּי אֵין־אֱמֶת וְאֵין־חֶסֶד וְאֵין־דַּעַת אֱלֹהִים בָּאָרֶץ׃ | Hoort des HEEREN woord gij kinderen Israëls! want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands omdat er geen trouw en geen weldadigheid en geen kennis van God in het land is; | Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten, want de HEERE heeft een rechtszaak met de inwoners van dit land, omdat er geen trouw, geen goedertierenheid en geen kennis van God in het land is. |
MIC | 7 | 20 | תִּתֵּן אֱמֶת לְיַעֲקֹב חֶסֶד לְאַבְרָהָם אֲשֶׁר־נִשְׁבַּעְתָּ לַאֲבֹתֵינוּ מִימֵי קֶדֶם׃ | Gij zult Jakob de trouw Abraham de goedertierenheid geven die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt. | U zult Jakob de trouw bewijzen en Abraham de goedertierenheid, die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer. |
ZEC | 7 | 9 | כֹּה אָמַר יְהוָה צְבָאֹות לֵאמֹר מִשְׁפַּט אֱמֶת שְׁפֹטוּ וְחֶסֶד וְרַחֲמִים עֲשׂוּ אִישׁ אֶת־אָחִיו׃ | Alzo sprak de HEERE der heirscharen zeggende: Richt een waarachtig gericht en doet goedertierenheid en barmhartigheden de een aan den ander; | Zo zegt de HEERE van de legermachten: Vel een betrouwbaar oordeel, bewijs elkaar goedertierenheid en barmhartigheid. |