9.2 Voorzetsels met suffix

De voorzetsels be, le en ke met suffix

In onderstaande tabellen de vormen van de ‘onscheidbare’ voorzetsels met suffix zoals die in Tanach voorkomen. Onder OPT1 (optie 1) de vorm die in grammatica’s als standaard worden geleerd. De overige vormen komen in Tenach voor. De tabellen zijn niet bedoeld om uit het hoofd te leren, maar om te bestuderen wat voor soort variaties op de standaard voorkomen en als naslagwerk.

SUFFIX

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

OPT7

N7

OPT8

N8

OPT9

N9

1cs

לִי

608

לִּי

138

לָהּ

1

לִֿי

1

2ms

לְךָ

435

לָךְ

64

לְּךָ

51

לָּךְ

9

לְכָה

1

2fs

לָךְ

251

לָּךְ

59

לְכִי

1

3ms

לוֹ

1,017

לּוֹ

96

לֵהּ

17

3fs

לָהּ

188

לָּהּ

13

לַהּ

7

לָה

2

לָהֶם

1

לָהֿ

1

1cp

לָנוּ

187

לָּנוּ

50

לִי

1

לַנָא

1

2mp

לָכֶם

466

לָּכֶם

2

לְכֹם

2

לְכוֹן

1

2fp

לָכֶנָה

1

3mp

לָהֶם

636

לָמוֹ

53

לְהוֹן

7

לְּהֹם

3

לְהֹם

2

לָּמוֹ

2

לָּהֶם

1

לְהוֹם

1

לָהֵמָּה

1

3fp

לָהֶן

13

לָהֵנָּה

4

Opmerkingen

Opmerkingen bij veel voorkomende afwijkingen van de gebruikelijke vormen.

  1. De vormen onder optie 1 zijn de meest voorkomende; in een grammtica worden deze doorgaans genoemd (zie bijv. Vrolijk p.137); de andere vormen komen in Tanach voor, sommigen slechts één keer
  2. Optie 2, 1cs e.a.; een lamed met een dagesh als eerste letter; dit heeft te maken met uitspraak van de lamed in het specifieke vers (‘een verdubbelde uitspraak’); dit heeft te maken met klemtoon en slotleeter van voorgaande woord; de dagesh heeft geen gevolgen voor vertaling; voor meer gedetailleerde informatie judaismstackexchange en de links in dit artikel
  3. Optie 2, 2ms לָךְ; dezelfde vorm als optie 1 2fs; voor 2ms is dit de pausavorm volgens artikel op wiktionary; uit de context moet de juiste vertaling worden opgemaakt
  4. Optie 2, 3mp לָמוֹ; Vrolijk merkt op dat het suffix 3mp ־םוֹ
    voornamelijk vorkomt bij poëtische teksten (Vrolijk, p.111, opm.5)

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

33

9

וַיֹּאמֶר עֵשָׂו יֶשׁ לִי רָ֑ב אָחִי יְהִי לְךָ אֲשֶׁר לָֽךְ׃

Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!

GEN

43

7

וַיֹּאמְרוּ שָׁאוֹל שָֽׁאַל הָאִישׁ לָנוּ וּלְמֽוֹלַדְתֵּנוּ לֵאמֹר הַעוֹד אֲבִיכֶם חַי הֲיֵשׁ לָכֶם אָח וַנַגֶּד לוֹ עַל פִּי הַדְּבָרִים הָאֵ֑לֶּה הֲיָדוֹעַ נֵדַע כִּי יֹאמַר הוֹרִידוּ אֶת אֲחִיכֶֽם׃

En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?

EXO

32

23

וַיֹּאמְרוּ לִי עֲשֵׂה לָנוּ אֱלֹהִים אֲשֶׁר יֵלְכוּ לְפָנֵ֑ינוּ כִּי זֶה מֹשֶׁה הָאִישׁ אֲשֶׁר הֶֽעֱלָנוּ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם לֹא יָדַעְנוּ מֶה הָיָה לֽוֹ׃

Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.

JDG

1

15

וַתֹּאמֶר לוֹ הָֽבָה לִּי בְרָכָה כִּי אֶרֶץ הַנֶּגֶב נְתַתָּנִי וְנָתַתָּה לִי גֻּלֹּת מָ֑יִם וַיִּתֶּן לָהּ כָּלֵב אֵת גֻּלֹּת עִלִּית וְאֵת גֻּלֹּת תַּחְתִּֽית׃פ

En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.

JDG

14

12

וַיֹּאמֶר לָהֶם שִׁמְשׁוֹן אָחֽוּדָה נָּא לָכֶם חִידָ֑ה אִם הַגֵּד תַּגִּידוּ אוֹתָהּ לִי שִׁבְעַת יְמֵי הַמִּשְׁתֶּה וּמְצָאתֶם וְנָתַתִּי לָכֶם שְׁלֹשִׁים סְדִינִים וּשְׁלֹשִׁים חֲלִפֹת בְּגָדִֽים׃

Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.

JDG

15

12

וַיֹּאמְרוּ לוֹ לֶאֱסָרְךָ יָרַדְנוּ לְתִתְּךָ בְּיַד פְּלִשְׁתִּ֑ים וַיֹּאמֶר לָהֶם שִׁמְשׁוֹן הִשָּׁבְעוּ לִי פֶּֽן תִּפְגְּעוּן בִּי אַתֶּֽם׃

En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.

SUFFIX

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

OPT7

N7

OPT8

N8

1cs

בִּי

93

בִי

54

בְשֶׁלִּי

1

2ms

בְךָ

39

בְּךָ

38

בָּךְ

26

בָךְ

13

בְכָה

1

בְּכָה

1

2fs

בָךְ

26

בָּךְ

22

3ms

בּוֹ

247

בוֹ

116

בֵּהּ

11

בֵהּ

2

בֹּה

1

3fs

בָּהּ

156

בָהּ

109

בַּהּ

5

בַהּ

1

1cp

בָּנוּ

22

בָנוּ

5

2mp

בָּכֶם

38

בָכֶם

30

2fp

3mp

בָּהֶם

108

בָּם

86

בָהֶם

50

בָם

46

בְּהוֹן

5

בָּהֵמָּה

2

בָּהּ

1

בְהוֹן

1

3fp

בָּהֵן

13

בָהֵן

2

בָּהֵנָּה

2

בָּהֶן

2

בָהֵנָּה

1

בָהֶן

1

Opmerkingen

Opmerkingen bij veel voorkomende afwijkingen van de gebruikelijke vormen.

  1. De vormen onder optie 1 zijn de meest voorkomende; in een grammtica worden deze doorgaans genoemd (zie bijv. Vrolijk p.137); de andere vormen komen in Tanach voor, sommigen slechts één keer
  2. De beth komt zowel met dagesh als zonder dagesh voor; voor de vertaling maakt dit geen verschi, het heeft te maken met de uitspraak welke afhangt van het voorgaande woord
  3. 3mp kent twee vormen: בָּהֶם en בָּם; beide vormen worden in een woordenboek als optie genoemd

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

44

5

הֲלוֹא זֶה אֲשֶׁר יִשְׁתֶּה אֲדֹנִי בּוֹ וְהוּא נַחֵשׁ יְנַחֵשׁ בּ֑וֹ הֲרֵעֹתֶם אֲשֶׁר עֲשִׂיתֶֽם׃

Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.

LEV

21

21

כָּל אִישׁ אֲשֶׁר בּוֹ מוּם מִזֶּרַע אַהֲרֹן הַכֹּהֵן לֹא יִגַּשׁ לְהַקְרִיב אֶת אִשֵּׁי יְהוָ֑ה מוּם בּוֹ אֵת לֶחֶם אֱלֹהָיו לֹא יִגַּשׁ לְהַקְרִֽיב׃

Geen man, uit het zaad van Aäron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des Heeren te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren.

LEV

25

46

וְהִתְנַחֲלְתֶּם אֹתָם לִבְנֵיכֶם אַחֲרֵיכֶם לָרֶשֶׁת אֲחֻזָּה לְעֹלָם בָּהֶם תַּעֲבֹ֑דוּ וּבְאַחֵיכֶם בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל אִישׁ בְּאָחִיו לֹא תִרְדֶּה בוֹ בְּפָֽרֶךְ׃ס

En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israëls, een iegelijk over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.

JOS

24

13

וָאֶתֵּן לָכֶם אֶרֶץ אֲשֶׁר לֹֽא יָגַעְתָּ בָּהּ וְעָרִים אֲשֶׁר לֹא בְנִיתֶם וַתֵּשְׁבוּ בָּהֶ֑ם כְּרָמִים וְזֵיתִים אֲשֶׁר לֹֽא נְטַעְתֶּם אַתֶּם אֹכְלִֽים׃

Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.

EST

9

1

וּבִשְׁנֵים עָשָׂר חֹדֶשׁ הוּא חֹדֶשׁ אֲדָר בִּשְׁלוֹשָׁה עָשָׂר יוֹם בּוֹ אֲשֶׁר הִגִּיעַ דְּבַר הַמֶּלֶךְ וְדָתוֹ לְהֵעָשׂ֑וֹת בַּיּוֹם אֲשֶׁר שִׂבְּרוּ אֹיְבֵי הַיְּהוּדִים לִשְׁלוֹט בָּהֶם וְנַהֲפוֹךְ הוּא אֲשֶׁר יִשְׁלְטוּ הַיְּהוּדִים הֵמָּה בְּשֹׂנְאֵיהֶֽם׃

In de twaalfde maand nu ( dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelven over hun haters.

EST

9

18

וְהַיְּהוּדִיִּים אֲשֶׁר בְּשׁוּשָׁן נִקְהֲלוּ בִּשְׁלֹשָׁה עָשָׂר בּוֹ וּבְאַרְבָּעָה עָשָׂר בּ֑וֹ וְנוֹחַ בַּחֲמִשָּׁה עָשָׂר בּוֹ וְעָשֹׂה אֹתוֹ יוֹם מִשְׁתֶּה וְשִׂמְחָֽה׃

En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.

SUFFIX

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

1cs

כָּמוֹנִי

7

כָמוֹנִי

6

כָּמֹנִי

4

2ms

כָּמוֹךָ

18

כָמוֹךָ

11

כָמֹכָה

1

כָּמֹכָה

1

2fs

3ms

כָּמֹהוּ

16

כָמֹהוּ

6

וְכָמֹהוּ

2

3fs

כָּמוֹהָ

3

כָמוֹהָ

1

1cp

כָמֹנוּ

2

כָּמֹנוּ

1

כָמוֹנוּ

1

2mp

כָּכֶם

7

כָכֶם

1

כְּמוֹכֶם

1

2fp

3mp

כָּהֵם

3

כְּמוֹהֶם

2

כְמוֹהֶם

1

כָּהֶם

1

כָהֵם

1

כָּהֵמָּה

1

3fp

כָהֵנָּה

1

כָּהֵנָּה

1

כָּהֵן

1

Opmerkingen

  1. Het voorzetsel כְ met suffix komt veel minder vaak voor dan לְ en בְ
  2. Tussen het voorzetsel כְ en een suffix enkelvoud of het suffix 1cp wordt de beklemtoonde verbindingslettergreep מוֹ ingevoegd (zie Vrolijk p.136, opm.2)

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

11

6

וְהָֽיְתָה צְעָקָה גְדֹלָה בְּכָל אֶרֶץ מִצְרָ֑יִם אֲשֶׁר כָּמֹהוּ לֹא נִהְיָתָה וְכָמֹהוּ לֹא תֹסִֽף׃

En er zal een groot geschrei zijn in het ganse Egypteland, desgelijke nooit geweest is, en desgelijke niet meer wezen zal.

JDG

8

18

וַיֹּאמֶר אֶל זֶבַח וְאֶל צַלְמֻנָּע אֵיפֹה הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר הֲרַגְתֶּם בְּתָב֑וֹר וַֽיֹּאמרוּ כָּמוֹךָ כְמוֹהֶם אֶחָד כְּתֹאַר בְּנֵי הַמֶּֽלֶךְ׃

Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.

1KI

22

4

וַיֹּאמֶר אֶל יְהוֹשָׁפָט הֲתֵלֵךְ אִתִּי לַמִּלְחָמָה רָמֹת גִּלְעָ֑ד וַיֹּאמֶר יְהֽוֹשָׁפָט אֶל מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל כָּמוֹנִי כָמוֹךָ כְּעַמִּי כְעַמֶּךָ כְּסוּסַי כְּסוּסֶֽיךָ׃

Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

2KI

3

7

וַיֵּלֶךְ וַיִּשְׁלַח אֶל יְהוֹשָׁפָט מֶֽלֶךְ יְהוּדָה לֵאמֹר מֶלֶךְ מוֹאָב פָּשַׁע בִּי הֲתֵלֵךְ אִתִּי אֶל מוֹאָב לַמִּלְחָמָ֑ה וַיֹּאמֶר אֶעֱלֶה כָּמוֹנִי כָמוֹךָ כְּעַמִּי כְעַמֶּךָ כְּסוּסַי כְּסוּסֶֽיךָ׃

En hij ging heen, en zond tot Josafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

2KI

23

25

וְכָמֹהוּ לֹֽא הָיָה לְפָנָיו מֶלֶךְ אֲשֶׁר שָׁב אֶל יְהוָה בְּכָל לְבָבוֹ וּבְכָל נַפְשׁוֹ וּבְכָל מְאֹדוֹ כְּכֹל תּוֹרַת מֹשֶׁ֑ה וְאַחֲרָיו לֹֽא קָם כָּמֹֽהוּ׃

En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den Heere, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.

2CH

18

3

וַיֹּאמֶר אַחְאָב מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶל יְהֽוֹשָׁפָט מֶלֶךְ יְהוּדָה הֲתֵלֵךְ עִמִּי רָמֹת גִּלְעָ֑ד וַיֹּאמֶר לוֹ כָּמוֹנִי כָמוֹךָ וּכְעַמְּךָ עַמִּי וְעִמְּךָ בַּמִּלְחָמָֽה׃

Want Achab, de koning van Israël, zeide tot Josafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.