PERSOON | PERSOONLIJK VNW | PERSOON | PERSOONLIJK VNW |
|---|---|---|---|
1 mnl/ vrl ev | אֲנִי/אָֽנֹכִי | 1 mnl/vrl mv | אֲנַ֫חְנוּ/אֲנוּ |
2 mnl ev | אַתָּה | 2 mnl mv | אַתֶּם |
2 vrl ev | אַתְּ | 2 vrl mv | אַתֵּנָה / אַתֵּנ |
3 mnl ev | הוּא | 3 mnl mv | הֵם/הֵ֫מָּה |
3 vrl ev | הִיא/הִוא | 3 vrl mv | הֵן/הֵ֫נָּה |
8 Voornaamwoorden
8.1 Persoonlijke Voornaamwoord
Literatuur
Pratico & Van Pelt (2019), 8.1-8.4
Vrolijk (2020), H5
Tabel 1
Hebreeuws Persoonlijk Voornaamwoord
*Noot: het persoonlijk voornaamwoord 2e persoon vrl mv komt slechts vijf keer voor, vier keer in de vorm אַתֵּנָה (Gen.31:6, Eze.13:11, Eze.13:20, Eze.34:17) en een keer als אַתֵּנ (Eze.34:31). Zie tabblad ‘voorbeeldteksten’, Table 1.
Pratico vermeld in overzicht de eerste vorm, Vrolijk de tweede.
8.2 Aanwijzende Voornaamwoord
Literatuur
Pratico & Van Pelt (2019), 8.5-8.7
Vrolijk (2020), H6
Er worden twee typen aanwijzende voornaamwoorden onderscheiden. Type 1 wordt gebruikt indien hetgeen waarnaar verwezen wordt in ruimte of tijd dichtbij is; Nederlands: dit, deze.
Type 2 wordt gebruikt voor iets dat in ruimte of tijd ver(der) weg is; Nederlands: die, dat. Ook wordt Type 2 gebruikt als hetgeen naar verwezen wordt al bekend of al genoemd is (vb. Gen.15:18 Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abraham.)
Tabel 1
Aanwijzend voornaamwoord Type 1
VORM | HEBR | VERTALING |
|---|---|---|
mnl ev | זֶה | deze, dit |
vrl ev | זֹאת | deze, dit |
mnl en vrl mv | אֵלֶּה | deze |
Tabel 2
Aanwijzend voornaamwoord Type 2
VORM | HEBR | VERTALING |
|---|---|---|
mnl ev | הַהוּא | dat, die |
vrl ev | הַהִיא | dat, die |
mnl mv | הָהֵם | die |
vrl mv | הָחֵן | die |
8.3 Betrekkelijk Voornaamwoord
Literatuur
Pratico G.D. & Van Pelt (2019), 8.8
Vrolijk (2020), 9.2
Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt twee zinsdelen aan elkaar. In het Nederlands worden daarvoor woorden als ‘die’, ‘wie’, ‘dat’, ‘wat’, ‘welke’. Zie onzetaal.nl
Voorbeelden betrekkelijk voornaamwoord in het Nederlands.
- Het boek dat jij leest is niet meer te koop.
- De persoon die jij ontmoette ken ik al jaren.
Het Hebreeuws gebruikt hiervoor אֲשֶר
Verdieping: alternatieven
Zie hier
Ook het partikel שֶׁ wordt wel als betrekkelijk voornaamwoord gebruikt, voornamelijk in de Psalmen, Hooglied en Prediker. Dit partikel wordt als voorvoegsel aan een woord toegevoegd waarbij het dezelfde regels volgt als het beplaad lidwoord.
Voorbeelden
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
PSA | 133 | 2 | כַּשֶּׁמֶן הַטּוֹב עַל־הָרֹאשׁ יֹרֵד עַל־הַזָּקָן זְקַן־אַהֲרֹן שֶׁיֹּרֵד עַל־פִּי מִדּוֹתָיו׃ | Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aäron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen. |
ECC | 1 | 7 | כָּל־הַנְּחָלִים הֹלְכִים אֶל־הַיָּם וְהַיָּם אֵינֶנּוּ מָלֵא אֶל־מְקוֹם שֶׁהַנְּחָלִים הֹלְכִים שָׁם הֵם שָׁבִים לָלָכֶת׃ | Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder. |
Het woord כִּי kan als voegwoord functioren (want, omdat) en ook als betrekkelijk voornaamwoord. Zie voor dat laatste onderstaande voorbeelden.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 1 | 4 | וַיַּרְא אֱלֹהִים אֶת־הָאוֹר כִּי־טוֹב וַיַּבְדֵּל אֱלֹהִים בֵּין הָאוֹר וּבֵין הַחֹשֶׁךְ׃ | En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. |
GEN | 22 | 12 | וַיֹּאמֶר אַל־תִּשְׁלַח יָדְךָ אֶל־הַנַּעַר וְאַל־תַּעַשׂ לוֹ מְאוּמָּה כִּי עַתָּה יָדַעְתִּי כִּי־יְרֵא אֱלֹהִים אַתָּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת־בִּנְךָ אֶת־יְחִידְךָ מִמֶּנִּי׃ | Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. |
In klein aantal gevallen wordt ander voornaamwoord gebruikt waar het Nederlands een betrekkelijk voornaamwoord gebruikt. Zie hiervoor deze uitleg
Bijlage 1: voorbeeldteksten
Persoonlijk Voornaamwoord
Tabel 1
Alle teksten met pers.vnw.2e persoon vrl mv
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 31 | 6 | וְאַתֵּנָה יְדַעְתֶּן כִּי בְּכָל־כֹּחִי עָבַדְתִּי אֶת־אֲבִיכֶן׃ | En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb. |
EZE | 13 | 11 | אֱמֹר אֶל־טָחֵי תָפֵל וְיִפֹּל הָיָה גֶּשֶׁם שׁוֹטֵף וְאַתֵּנָה אַבְנֵי אֶלְגָּבִישׁ תִּפֹּלְנָה וְרוּחַ סְעָרוֹת תְּבַקֵּעַ׃ | Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה־אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל־כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת־הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹתֵיכֶם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת־הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת־נְפָשִׁים לְפֹרְחֹת׃ | Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
EZE | 34 | 17 | וְאַתֵּנָה צֹאנִי כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי שֹׁפֵט בֵּין־שֶׂה לָשֶׂה לָאֵילִים וְלָעַתּוּדִים׃ | Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken. |
EZE | 34 | 31 | וְאַתֵּן צֹאנִי צֹאן מַרְעִיתִי אָדָם אַתֶּם אֲנִי אֱלֹהֵיכֶם נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה׃ | Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE. |