18 Qal Imperativus

Samenvatting BBH H18

Literatuur
Pratico & Van Pelt (2019), H18
Vrolijk (2020), 18.5.4

De imperativus (gebiedende wijs) kent alleen de 2e persoon mnl en vrl enkelvoud en meervoud. De imperativus wordt in principe gevormd door van de imperfectumvormen de preformatieven weg te laten.
In onderstaande tabel staan de imperfectum van qatal (2e en 3e mnl en vr, ev en mv), de imperativus van qatal en imperativus van aantal regelmatige werkwoorden. Niet bij elk werkwoord staan dezelfde klinkers, de afformatieven zijn wel steeds dezelfde.

PS

IMPERF

IMPV

שָׁמַר

פָּקַד

זָכַר

2ms

תִּקְטֹל

קְטֹל

שְׁמֹר

פְּקֹד

זְכֹר

2fs

תִּקְטְלִי

קִטְלִי

2mp

תִּקְטְלוּ

קִטְלִוּ

שִׁמְרוּ

פִּקְדוּ

זִכְרוּ

3fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

קְטֹ֫לְנָה

Qal Imperativus

De tien meest voorkomende werkwoorden in de qal imperativus met voorbeeldteksten. Op de tabbladen staan de vormen qal imperfectum zoals die in Tanach voorkomen. Niet om uit het hoofd te leren, maar ter bestudering om patronen te leren zien. Wees erop bedacht dat sommige vormen in deze tabellen een persoonlijk suffix hebben, bijvoorbeeld שְׁמָעוּנִי - hoor mij / hoor mij toch / hoor toch naar mij (Gen.23:8) In de bijbeltekst kan het voegwoord וְ als prefix aan de imperativus zijn toegevoegd.

Tabel met meest voorkomende vorm van de tien meest voorkomende werkwoorden in qal imperativus.

PS

הָלַךְ

N1

שָׁמַע

N2

רָאָה

N3

לָקַח

N4

עָשָׂה

N5

קָמָי

N6

אָמַר

N7

שׁוּב

N8

נָתַן

N9

בּוֹא

N10

ms

לֵךְ

98

שְׁמַע

61

רְאֵה

83

קַח

77

עֲשֵׂה

56

קוּם

42

אֱמֹר

49

שׁוּב

25

תְּנָה

24

בֹּא

20

fs

לְכִי

15

שִׁמְעִי

6

רְאִי

10

קְחִי

4

עֲשִׂי

8

קוּמִי

14

אִמְרִי

6

שׁוּבִי

8

תְּנִי

6

בֹּאִי

4

mp

לְכוּ

76

שִׁמְעוּ

98

רְאוּ

47

קְחוּ

33

עֲשׂוּ

30

קוּמוּ

18

אִמְרוּ

24

שׁוּבוּ

29

תְּנוּ

22

בֹּאוּ

18

fp

לֵכְנָה

1

שְׁמַעְנָה

2

רְאֶינָה

1

קֹמְנָה

1

שֹׁבְנָה

2

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

ms

לֵךְ

98

לְכָה

29

לֶךְ

9

לְךָ

3

לֵכָה

1

fs

לְכִי

15

לֵכִי

3

mp

לְכוּ

76

לֵכוּ

5

לֵּכוּ

1

הִלְכוּ

1

fp

לֵכְנָה

1

לֵכְןָ

1

Opmerkingen

  • dit is een I-he ww, in vervoegingen gedraagt het zich als een I-yod ww (Vrolijk p.252)
  • dit betreft een I-he/yod werkwoord; de he is verdwenen
  • OPT2 ms, לְכָה; de slot he is niet een suffix fs zoals in een parsing wel eens wordt aangegeven (o.a. op biblehub.com), maar een paragogische he; zie bijv. unfoldingword hierover; Vrolijk spreekt over ‘de verlengde imperativus’ (Vrolijk, p.182) (vgl.Pratico & Van Pelt, p.194 opm.3); de bedoeling is vermoedelijk extra nadruk (‘ga toch …’, ‘kom toch …’, ‘vervloek toch ..’); zie bijvoorbeeld voorbeeldtekst Num.23:7.

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

12

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל אַבְרָם לֶךְ לְךָ מֵאַרְצְךָ וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ וּמִבֵּית אָבִ֑יךָ אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַרְאֶֽךָּ׃

De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

GEN

29

7

וַיֹּאמֶר הֵן עוֹד הַיּוֹם גָּדוֹל לֹא עֵת הֵאָסֵף הַמִּקְנֶ֑ה הַשְׁקוּ הַצֹּאן וּלְכוּ רְעֽוּ׃

En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.

EXO

2

8

וַתֹּֽאמֶר לָהּ בַּת פַּרְעֹה לֵ֑כִי וַתֵּלֶךְ הָֽעַלְמָה וַתִּקְרָא אֶת אֵם הַיָּֽלֶד׃

En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.

NUM

23

7

וַיִּשָּׂא מְשָׁלוֹ וַיֹּאמַ֑ר מִן אֲרָם יַנְחֵנִי בָלָק מֶֽלֶךְ מוֹאָב מֵֽהַרְרֵי קֶדֶם לְכָה אָֽרָה לִּי יַעֲקֹב וּלְכָה זֹעֲמָה יִשְׂרָאֵֽל׃

Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!

RUT

1

8

וַתֹּאמֶר נָעֳמִי לִשְׁתֵּי כַלֹּתֶיהָ לֵכְנָה שֹּׁבְנָה אִשָּׁה לְבֵית אִמָּ֑הּ יַעֲשֶׂה יְהוָה עִמָּכֶם חֶסֶד כַּאֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם עִם הַמֵּתִים וְעִמָּדִֽי׃

Zo zeide Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.

1KI

18

21

וַיִּגַּשׁ אֵלִיָּהוּ אֶל כָּל הָעָם וַיֹּאמֶר עַד מָתַי אַתֶּם פֹּסְחִים עַל שְׁתֵּי הַסְּעִפִּים֒ אִם יְהוָה הָֽאֱלֹהִים לְכוּ אַחֲרָיו וְאִם הַבַּעַל לְכוּ אַחֲרָ֑יו וְלֹֽא עָנוּ הָעָם אֹתוֹ דָּבָֽר׃

Toen naderde Elia tot het ganse volk, en zeide: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.

ISA

55

1

הוֹי כָּל צָמֵא לְכוּ לַמַּיִם וַאֲשֶׁר אֵֽין לוֹ כָּ֑סֶף לְכוּ שִׁבְרוּ וֶֽאֱכֹלוּ וּלְכוּ שִׁבְרוּ בְּלוֹא כֶסֶף וּבְלוֹא מְחִיר יַיִן וְחָלָֽב׃

O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

JER

18

18

וַיֹּאמְרוּ לְכוּ וְנַחְשְׁבָה עַֽל יִרְמְיָהוּ מַחֲשָׁבוֹת֒ כִּי לֹא תֹאבַד תּוֹרָה מִכֹּהֵן וְעֵצָה מֵֽחָכָם וְדָבָר מִנָּבִ֑יא לְכוּ וְנַכֵּהוּ בַלָּשׁוֹן וְאַל נַקְשִׁיבָה אֶל כָּל דְּבָרָֽיו׃

Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

OPT7

N7

OPT8

N8

OPT9

N9

ms

שְׁמַע

61

שִׁמְעָה

10

שֲׁמָע

4

שְׁמָעֵנִי

3

שְׁמָע

2

שְּׁמָע

2

שְׁמָעֵנוּ

1

שְׁמָעֶנָּה

1

שְׁמָעָה

1

fs

שִׁמְעִי

6

mp

שִׁמְעוּ

98

שְׁמָעוּנִי

7

שְׁמָעוּ

1

שֲׁמָעוּ

1

fp

שְׁמַעְנָה

2

שְׁמַעַן

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

4

23

וַיֹּאמֶר לֶמֶךְ לְנָשָׁיו עָדָה וְצִלָּה שְׁמַעַן קוֹלִי נְשֵׁי לֶמֶךְ הַאְזֵנָּה אִמְרָתִ֑י כִּי אִישׁ הָרַגְתִּי לְפִצְעִי וְיֶלֶד לְחַבֻּרָתִֽי׃

En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

GEN

21

12

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים אֶל אַבְרָהָם אַל יֵרַע בְּעֵינֶיךָ עַל הַנַּעַר וְעַל אֲמָתֶךָ כֹּל אֲשֶׁר תֹּאמַר אֵלֶיךָ שָׂרָה שְׁמַע בְּקֹלָ֑הּ כִּי בְיִצְחָק יִקָּרֵא לְךָ זָֽרַע׃

Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.

GEN

23

8

וַיְדַבֵּר אִתָּם לֵאמֹ֑ר אִם יֵשׁ אֶֽת נַפְשְׁכֶם לִקְבֹּר אֶת מֵתִי מִלְּפָנַי שְׁמָעוּנִי וּפִגְעוּ לִי בְּעֶפְרוֹן בֶּן צֹֽחַר׃

En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,

GEN

49

2

הִקָּבְצוּ וְשִׁמְעוּ בְּנֵי יַעֲקֹ֑ב וְשִׁמְעוּ אֶל יִשְׂרָאֵל אֲבִיכֶֽם׃

Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.

2SA

20

16

וַתִּקְרָא אִשָּׁה חֲכָמָה מִן הָעִ֑יר שִׁמְעוּ שִׁמְעוּ אִמְרוּ נָא אֶל יוֹאָב קְרַב עַד הֵנָּה וַאֲדַבְּרָה אֵלֶֽיךָ׃

Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke.

2KI

19

16

הַטֵּה יְהוָה אָזְנְךָ וּֽשֲׁמָע פְּקַח יְהוָה עֵינֶיךָ וּרְאֵ֑ה וּשְׁמַע אֵת דִּבְרֵי סַנְחֵרִיב אֲשֶׁר שְׁלָחוֹ לְחָרֵף אֱלֹהִים חָֽי׃

O, Heere! neig Uw oor en hoor, doe, Heere! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen.

PSA

45

10

שִׁמְעִי בַת וּרְאִי וְהַטִּי אָזְנֵ֑ךְ וְשִׁכְחִי עַמֵּךְ וּבֵית אָבִֽיךְ׃

[045:11] Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.

ISA

28

23

הַאֲזִינוּ וְשִׁמְעוּ קוֹלִ֑י הַקְשִׁיבוּ וְשִׁמְעוּ אִמְרָתִֽי׃

Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

ISA

37

17

הַטֵּה יְהוָה אָזְנְךָ וּֽשְׁמָע פְּקַח יְהוָה עֵינֶךָ וּרְאֵ֑ה וּשְׁמַע אֵת כָּל דִּבְרֵי סַנְחֵרִיב אֲשֶׁר שָׁלַח לְחָרֵף אֱלֹהִים חָֽי׃

O Heere! neig Uw oor en hoor, Heere! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om den levenden God te honen.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

ms

רְאֵה

83

fs

רְאִי

10

mp

רְאוּ

47

רְאִי

1

fp

רְאֶינָה

1

Opmerking

  • OPT2, mp; dit voorbeeld komt uit Jer.13:20; de tekst heeft “וּרְאִ֔י”; de masoreten hebben toegevoegd dat gelezen moet worden “וּרְא֔וּ”; een voorbeeld van een qere - ketiv tekst (Vrolijk 8.5); in hetzelfde vers staat ook “שְׂאִ֚י” dat volgens de Masoreten gelezen moet worden als “שְׂא֚וּ”.
    In de Tanach op chabad.org wordt dit duidelijk aangegeven.

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

13

14

וַֽיהוָה אָמַר אֶל אַבְרָם אַחֲרֵי הִפָּֽרֶד לוֹט מֵֽעִמּוֹ שָׂא נָא עֵינֶיךָ וּרְאֵה מִן הַמָּקוֹם אֲשֶׁר אַתָּה שָׁ֑ם צָפֹנָה וָנֶגְבָּה וָקֵדְמָה וָיָֽמָּה׃

En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.

GEN

39

14

וַתִּקְרָא לְאַנְשֵׁי בֵיתָהּ וַתֹּאמֶר לָהֶם לֵאמֹר רְאוּ הֵבִיא לָנוּ אִישׁ עִבְרִי לְצַחֶק בָּ֑נוּ בָּא אֵלַי לִשְׁכַּב עִמִּי וָאֶקְרָא בְּקוֹל גָּדֽוֹל׃

Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;

JDG

16

5

וַיַּעֲלוּ אֵלֶיהָ סַרְנֵי פְלִשְׁתִּים וַיֹּאמְרוּ לָהּ פַּתִּי אוֹתוֹ וּרְאִי בַּמֶּה כֹּחוֹ גָדוֹל וּבַמֶּה נוּכַל לוֹ וַאֲסַרְנֻהוּ לְעַנֹּת֑וֹ וַאֲנַחְנוּ נִתַּן לָךְ אִישׁ אֶלֶף וּמֵאָה כָּֽסֶף׃

Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een iegelijk, duizend en honderd zilverlingen.

1SA

24

11

וְאָבִי רְאֵה גַּם רְאֵה אֶת כְּנַף מְעִילְךָ בְּיָדִ֑י כִּי בְּכָרְתִי אֶת כְּנַף מְעִֽילְךָ וְלֹא הֲרַגְתִּיךָ דַּע וּרְאֵה כִּי אֵין בְּיָדִי רָעָה וָפֶשַׁע וְלֹא חָטָאתִי לָךְ וְאַתָּה צֹדֶה אֶת נַפְשִׁי לְקַחְתָּֽהּ׃

[024:12] Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.

SNG

3

11

צְאֶינָה וּֽרְאֶינָה בְּנוֹת צִיּוֹן בַּמֶּלֶךְ שְׁלֹמֹ֑ה בָּעֲטָרָה שֶׁעִטְּרָה לּוֹ אִמּוֹ בְּיוֹם חֲתֻנָּתוֹ וּבְיוֹם שִׂמְחַת לִבּֽוֹ׃ס

Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.

JER

2

10

כִּי עִבְרוּ אִיֵּי כִתִּיִּים וּרְאוּ וְקֵדָר שִׁלְחוּ וְהִֽתְבּוֹנְנוּ מְאֹ֑ד וּרְאוּ הֵן הָיְתָה כָּזֹֽאת׃

Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

OPT7

N7

ms

קַח

77

לְקַח

3

קָחֶנּוּ

3

קְחָה

1

קָחֶם

1

קָח

1

קָחֶנָּה

1

fs

קְחִי

4

לִקְחִי

1

mp

קְחוּ

33

קָחוּ

1

קָחֻהוּ

1

fp

Opmerking

  • OPT3,ms; קָחֶנּוּ heeft een suffix 3ms; dit is een nun-suffix 3ms (Pratico & Van Pelt, 19.6); net zo heeft OPT7 hier een nun-suffix 3fs

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

6

21

וְאַתָּה קַח לְךָ מִכָּל מַֽאֲכָל אֲשֶׁר יֵֽאָכֵל וְאָסַפְתָּ אֵלֶ֑יךָ וְהָיָה לְךָ וְלָהֶם לְאָכְלָֽה׃

En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.

GEN

42

33

וַיֹּאמֶר אֵלֵינוּ הָאִישׁ אֲדֹנֵי הָאָרֶץ בְּזֹאת אֵדַע כִּי כֵנִים אַתֶּ֑ם אֲחִיכֶם הָֽאֶחָד הַנִּיחוּ אִתִּי וְאֶת רַעֲבוֹן בָּתֵּיכֶם קְחוּ וָלֵֽכוּ׃

En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt; laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen.

EXO

17

5

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה עֲבֹר לִפְנֵי הָעָם וְקַח אִתְּךָ מִזִּקְנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וּמַטְּךָ אֲשֶׁר הִכִּיתָ בּוֹ אֶת הַיְאֹר קַח בְּיָדְךָ וְהָלָֽכְתָּ׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.

1KI

17

10

וַיָּקָם וַיֵּלֶךְ צָרְפַתָה וַיָּבֹא אֶל פֶּתַח הָעִיר וְהִנֵּֽה שָׁם אִשָּׁה אַלְמָנָה מְקֹשֶׁשֶׁת עֵצִ֑ים וַיִּקְרָא אֵלֶיהָ וַיֹּאמַר קְחִי נָא לִי מְעַט מַיִם בַּכְּלִי וְאֶשְׁתֶּֽה׃

Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke.

JER

29

6

קְחוּ נָשִׁים וְהוֹלִידוּ בָּנִים וּבָנוֹת֒ וּקְחוּ לִבְנֵיכֶם נָשִׁים וְאֶת בְּנֽוֹתֵיכֶם תְּנוּ לַֽאֲנָשִׁים וְתֵלַדְנָה בָּנִים וּבָנ֑וֹת וּרְבוּ שָׁם וְאַל תִּמְעָֽטוּ׃

Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.

EZE

37

16

וְאַתָּה בֶן אָדָם קַח לְךָ עֵץ אֶחָד וּכְתֹב עָלָיו לִֽיהוּדָה וְלִבְנֵי יִשְׂרָאֵל חֲבֵרוֹ וּלְקַח עֵץ אֶחָד וּכְתוֹב עָלָיו לְיוֹסֵף עֵץ אֶפְרַיִם וְכָל בֵּית יִשְׂרָאֵל חֲבֵרוֹ׃

Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zijn metgezellen.

HOS

14

2

קְחוּ עִמָּכֶם דְּבָרִים וְשׁוּבוּ אֶל יְהוָ֑ה אִמְרוּ אֵלָיו כָּל תִּשָּׂא עָוֺן וְקַח טוֹב וּֽנְשַׁלְּמָה פָרִים שְׂפָתֵֽינוּ׃

[014:3] Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den Heere; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

ms

עֲשֵׂה

56

עֲשֵׂהס

2

עֲשֵׂהפ

2

עֲ‍שֵׂה

1

fs

עֲשִׂי

8

mp

עֲשׂוּ

30

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

6

14

עֲשֵׂה לְךָ תֵּבַת עֲצֵי גֹפֶר קִנִּים תַּֽעֲשֶׂה אֶת הַתֵּבָ֑ה וְכָֽפַרְתָּ אֹתָהּ מִבַּיִת וּמִחוּץ בַּכֹּֽפֶר׃

Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.

GEN

16

6

וַיֹּאמֶר אַבְרָם אֶל שָׂרַי הִנֵּה שִׁפְחָתֵךְ בְּיָדֵךְ עֲשִׂי לָהּ הַטּוֹב בְּעֵינָ֑יִךְ וַתְּעַנֶּהָ שָׂרַי וַתִּבְרַח מִפָּנֶֽיהָ׃

En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.

GEN

19

8

הִנֵּה נָא לִי שְׁתֵּי בָנוֹת אֲשֶׁר לֹֽא יָדְעוּ אִישׁ אוֹצִֽיאָה נָּא אֶתְהֶן אֲלֵיכֶם וַעֲשׂוּ לָהֶן כַּטּוֹב בְּעֵינֵיכֶ֑ם רַק לָֽאֲנָשִׁים הָאֵל אַל תַּעֲשׂוּ דָבָר כִּֽי עַל כֵּן בָּאוּ בְּצֵל קֹרָתִֽי׃

Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.

LEV

9

7

וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶֽל אַהֲרֹן קְרַב אֶל הַמִּזְבֵּחַ וַעֲשֵׂה אֶת חַטָּֽאתְךָ וְאֶת עֹלָתֶךָ וְכַפֵּר בַּֽעַדְךָ וּבְעַד הָעָ֑ם וַעֲשֵׂה אֶת קָרְבַּן הָעָם וְכַפֵּר בַּֽעֲדָם כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָֽה׃

En Mozes zeide tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de Heere geboden heeft.

1KI

17

13

וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אֵלִיָּהוּ אַל תִּירְאִי בֹּאִי עֲשִׂי כִדְבָרֵ֑ךְ אַךְ עֲשִׂי לִי מִשָּׁם עֻגָה קְטַנָּה בָרִאשֹׁנָה וְהוֹצֵאתְ לִי וְלָךְ וְלִבְנֵךְ תַּעֲשִׂי בָּאַחֲרֹנָֽה׃ס

En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

ms

קוּם

42

קוּמָה

16

קֻם

2

fs

קוּמִי

14

mp

קוּמוּ

18

קֻמוּ

1

fp

קֹמְנָה

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

13

17

קוּם הִתְהַלֵּךְ בָּאָרֶץ לְאָרְכָּהּ וּלְרָחְבָּ֑הּ כִּי לְךָ אֶתְּנֶֽנָּה׃

Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven.

GEN

19

14

וַיֵּצֵא לוֹט וַיְדַבֵּר אֶל חֲתָנָיו לֹקְחֵי בְנֹתָיו וַיֹּאמֶר קוּמוּ צְּאוּ מִן הַמָּקוֹם הַזֶּה כִּֽי מַשְׁחִית יְהוָה אֶת הָעִ֑יר וַיְהִי כִמְצַחֵק בְּעֵינֵי חֲתָנָֽיו׃

Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de Heere gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.

GEN

21

18

קוּמִי שְׂאִי אֶת הַנַּעַר וְהַחֲזִיקִי אֶת יָדֵךְ בּ֑וֹ כִּֽי לְגוֹי גָּדוֹל אֲשִׂימֶֽנּוּ׃

Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.

ISA

32

9

נָשִׁים שַֽׁאֲנַנּוֹת קֹמְנָה שְׁמַעְנָה קוֹלִ֑י בָּנוֹת בֹּֽטחוֹת הַאְזֵנָּה אִמְרָתִֽי׃

Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

ms

אֱמֹר

49

אֱמָר

9

fs

אִמְרִי

6

mp

אִמְרוּ

24

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

12

13

אִמְרִי נָא אֲחֹתִי אָ֑תְּ לְמַעַן יִֽיטַב לִי בַעֲבוּרֵךְ וְחָיְתָה נַפְשִׁי בִּגְלָלֵֽךְ׃

Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.

GEN

45

17

וַיֹּאמֶר פַּרְעֹה אֶל יוֹסֵף אֱמֹר אֶל אַחֶיךָ זֹאת עֲשׂ֑וּ טַֽעֲנוּ אֶת בְּעִירְכֶם וּלְכוּ בֹאוּ אַרְצָה כְּנָֽעַן׃

En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;

2SA

20

16

וַתִּקְרָא אִשָּׁה חֲכָמָה מִן הָעִ֑יר שִׁמְעוּ שִׁמְעוּ אִמְרוּ נָא אֶל יוֹאָב קְרַב עַד הֵנָּה וַאֲדַבְּרָה אֵלֶֽיךָ׃

Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke.

JER

4

5

הַגִּידוּ בִֽיהוּדָה וּבִירוּשָׁלִַם הַשְׁמִיעוּ וְאִמְרוּ וְתִקְעוּ שׁוֹפָר בָּאָ֑רֶץ קִרְאוּ מַלְאוּ וְאִמְרוּ הֵאָסְפוּ וְנָבוֹאָה אֶל עָרֵי הַמִּבְצָֽר׃

Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden!

EZE

17

12

אֱמָר נָא לְבֵית הַמֶּרִי הֲלֹא יְדַעְתֶּם מָה אֵ֑לֶּה אֱמֹר הִנֵּה בָא מֶֽלֶךְ בָּבֶל יְרוּשָׁלִַם וַיִּקַּח אֶת מַלְכָּהּ וְאֶת שָׂרֶיהָ וַיָּבֵא אוֹתָם אֵלָיו בָּבֶֽלָה׃

Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

ms

שׁוּב

25

שׁוּבָה

8

שֻׁב

2

שֻׁבָה

2

שׁוּבֵנוּ

1

fs

שׁוּבִי

8

שֻׁבִי

1

mp

שׁוּבוּ

29

שֻׁבוּ

7

שֻׁבִי

1

fp

שֹׁבְנָה

2

שֹּׁבְנָה

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

16

9

וַיֹּאמֶר לָהּ מַלְאַךְ יְהוָה שׁוּבִי אֶל גְּבִרְתֵּ֑ךְ וְהִתְעַנִּי תַּחַת יָדֶֽיהָ׃

Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.

GEN

31

3

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶֽל יַעֲקֹב שׁוּב אֶל אֶרֶץ אֲבוֹתֶיךָ וּלְמוֹלַדְתֶּ֑ךָ וְאֶֽהְיֶה עִמָּֽךְ׃

En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.

GEN

43

2

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר כִּלּוּ לֶאֱכֹל אֶת הַשֶּׁבֶר אֲשֶׁר הֵבִיאוּ מִמִּצְרָ֑יִם וַיֹּאמֶר אֲלֵיהֶם אֲבִיהֶם שֻׁבוּ שִׁבְרוּ לָנוּ מְעַט אֹֽכֶל׃

Zo geschiedde het, als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze.

RUT

1

8

וַתֹּאמֶר נָעֳמִי לִשְׁתֵּי כַלֹּתֶיהָ לֵכְנָה שֹּׁבְנָה אִשָּׁה לְבֵית אִמָּ֑הּ יַעֲשֶׂה יְהוָה עִמָּכֶם חֶסֶד כַּאֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם עִם הַמֵּתִים וְעִמָּדִֽי׃

Zo zeide Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.

JOB

6

29

שֻֽׁבוּ נָא אַל תְּהִי עַוְלָ֑ה וְשֻׁבִי עוֹד צִדְקִי בָֽהּ׃

Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.

SNG

6

13

שׁוּבִי שׁוּבִי הַשּׁוּלַמִּית שׁוּבִי שׁוּבִי וְנֶחֱזֶה בָּ֑ךְ מַֽה תֶּחֱזוּ בַּשּׁוּלַמִּית כִּמְחֹלַת הַֽמַּחֲנָֽיִם׃

Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.

JER

31

21

הַצִּיבִי לָךְ צִיֻּנִים שִׂמִי לָךְ תַּמְרוּרִים שִׁתִי לִבֵּךְ לַֽמְסִלָּה דֶּרֶךְ הָלָכְתִּי שׁוּבִי בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל שֻׁבִי אֶל עָרַיִךְ אֵֽלֶּה׃

Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden!

EZE

33

11

אֱמֹר אֲלֵיהֶם חַי אָנִי נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה אִם אֶחְפֹּץ בְּמוֹת הָרָשָׁע כִּי אִם בְּשׁוּב רָשָׁע מִדַּרְכּוֹ וְחָיָ֑ה שׁוּבוּ שׁוּבוּ מִדַּרְכֵיכֶם הָרָעִים וְלָמָּה תָמוּתוּ בֵּית יִשְׂרָאֵֽל׃פ

Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

OPT6

N6

OPT7

N7

OPT8

N8

ms

תְּנָה

24

תֵּן

10

תֶּן

4

תֶן

4

תְּנֶנָּה

1

תְּנֵהוּ

1

תְנֵהוּ

1

תְנֵם

1

fs

תְּנִי

6

תֵּנִי

1

mp

תְּנוּ

22

תְנוּ

5

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

14

21

וַיֹּאמֶר מֶֽלֶךְ סְדֹם אֶל אַבְרָ֑ם תֶּן לִי הַנֶּפֶשׁ וְהָרְכֻשׁ קַֽח לָֽךְ׃

En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.

GEN

23

4

גֵּר וְתוֹשָׁב אָנֹכִי עִמָּכֶ֑ם תְּנוּ לִי אֲחֻזַּת קֶבֶר עִמָּכֶם וְאֶקְבְּרָה מֵתִי מִלְּפָנָֽי׃

Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.

GEN

30

14

וַיֵּלֶךְ רְאוּבֵן בִּימֵי קְצִיר חִטִּים וַיִּמְצָא דֽוּדָאִים בַּשָּׂדֶה וַיָּבֵא אֹתָם אֶל לֵאָה אִמּ֑וֹ וַתֹּאמֶר רָחֵל אֶל לֵאָה תְּנִי נָא לִי מִדּוּדָאֵי בְּנֵֽךְ׃

En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim.

1CH

21

22

וַיֹּאמֶר דָּוִיד אֶל אָרְנָן תְּנָה לִּי מְקוֹם הַגֹּרֶן וְאֶבְנֶה בּוֹ מִזְבֵּחַ לַיהוָ֑ה בְּכֶסֶף מָלֵא תְּנֵהוּ לִי וְתֵעָצַר הַמַּגֵּפָה מֵעַל הָעָֽם׃

En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats des dorsvloers, dat ik op dezelve den Heere een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.

PSA

28

4

תֶּן לָהֶם כְּפָעֳלָם וּכְרֹעַ מַֽעַלְלֵיהֶם כְּמַעֲשֵׂה יְדֵיהֶם תֵּן לָהֶ֑ם הָשֵׁב גְּמוּלָם לָהֶֽם׃

Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.

HOS

9

14

תֵּן לָהֶם יְהוָה מַה תִּתֵּ֑ן תֵּן לָהֶם רֶחֶם מַשְׁכִּיל וְשָׁדַיִם צֹמְקִֽים׃

Geef hun, Heere! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.

PS

OPT1

N1

OPT2

N2

OPT3

N3

OPT4

N4

OPT5

N5

ms

בֹּא

20

בּוֹא

4

בֹאָה

1

בֹּאָה

1

בֹא

1

fs

בֹּאִי

4

בֹאִי

3

בּוֹאִי

1

בוֹאִי

1

mp

בֹּאוּ

18

בֹאוּ

13

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

7

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה לְנֹחַ בֹּֽא אַתָּה וְכָל בֵּיתְךָ אֶל הַתֵּבָ֑ה כִּֽי אֹתְךָ רָאִיתִי צַדִּיק לְפָנַי בַּדּוֹר הַזֶּֽה׃

Daarna zeide de Heere tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

GEN

19

34

וַֽיְהִי מִֽמָּחֳרָת וַתֹּאמֶר הַבְּכִירָה אֶל הַצְּעִירָה הֵן שָׁכַבְתִּי אֶמֶשׁ אֶת אָבִ֑י נַשְׁקֶנּוּ יַיִן גַּם הַלַּיְלָה וּבֹאִי שִׁכְבִי עִמּוֹ וּנְחַיֶּה מֵאָבִינוּ זָֽרַע׃

En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.

GEN

45

17

וַיֹּאמֶר פַּרְעֹה אֶל יוֹסֵף אֱמֹר אֶל אַחֶיךָ זֹאת עֲשׂ֑וּ טַֽעֲנוּ אֶת בְּעִירְכֶם וּלְכוּ בֹאוּ אַרְצָה כְּנָֽעַן׃

En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;